Recensies

  • Sprookjespoëmen 1920-1922

    Marina Tsvetajeva
    Sprookjespoëmen 1920-1922

    De poëzie van sprookjes

    In 1964 verscheen van de hand van Vladimir Nabokov een Engelse versie van Poesjkins beroemde roman in verzen Jevgeni Onegin. Het was een eigenaardige vertaling. Nabokov had korte metten gemaakt met Poesjkins virtuoze metrum en rijm en een zeer nauwkeurige vertaling in proza geleverd, die hij van 1100 bladzijden aantekeningen en voetnoten had voorzien. In een aantal artikelen over vertalen die hij heeft gepubliceerd in de jaren dat hij aan dit magnum opus werkte, heeft hij zijn werkwijze verdedigd als zijnde de enige juiste als het ging om het vertalen van poëzie.

    Het lijkt erop dat Jos Holtzer en Lena Lubotsky bij hun vertaling van vier sprookjespoëmen van Marina Tsvetajeva in Nabokovs voetsporen hebben willen treden. Ook zij hebben bewust een vertaling in proza gemaakt en deze voorzien van uitgebreide inleidingen bij elk gedicht en een omvangrijk notenapparaat. En ze zijn voorbijgegaan aan de ongelooflijke hoeveelheid taal- en klankeffecten van het origineel. En zo is er net als bij Nabokov een vertaling ontstaan die bij uitstek geschikt is als ondersteuning voor hen die weliswaar Russisch kennen, maar niet genoeg om Tsvetajeva in het origineel te kunnen lezen. Wat bepaald geen schande is, want Tsvetajeva’s poëzie is vaak dermate complex dat ook Russischtaligen er moeite mee hebben.

    De vier sprookjespoëmen (‘poëma’ is het Russische woord voor een lang verhalend gedicht) uit de jaren 1920-1922 zijn geschreven in de zwartste, maar tevens ook productiefste periode uit Tsvetajeva’s aan zwarte periodes toch al zo rijke leven. Het waren de jaren van de Russische burgeroorlog en hongers- nood, waarin Tsvetajeva met haar twee jonge dochters in het ‘rode’ Moskou zat, terwijl haar man aan de kant van de Witten vocht. Ze was geïsoleerd, wist niet of haar man nog leefde, haar jongste dochter van twee overleefde de hongersnood niet, niemand was geïnteresseerd in haar werk, maar ze bleef als een bezetene schrijven. Wel had ze in die jaren enige heftige liefdesrelaties. De hier vertaalde vier sprookjes hebben dan ook allemaal de liefde als hoofdthema en wel de zoektocht van de vrouw naar die hoogste vorm van liefde, niet de lichamelijke (die ook), maar de liefde van de ziel – die natuurlijk meestal te hoog gegrepen is. Alleen in het laatste gedicht, ‘De jongen’ drijven de geliefden aan het einde samen weg in een eeuwig blauw vuur.

    De gedichten heten niet voor niets ‘sprookjes’. Rusland heeft tot ver in de twintigste eeuw een levende orale volkscultuur gekend, met liederen, dansen, rituelen en heel veel sprookjes. Tsvetajava maakt gebruik van bestaande Russische sprookjes (die achterin het boek als bijlage zijn toegevoegd), die ze als het ware ‘psychologiseert’. De hoofdpersonen worden mensen van vlees en bloed. En niet alleen het verhaal is aan het sprookje ontleend, ook in haar taal maakt ze veelvuldig gebruik van typische sprookjeselementen, die helaas in het Nederlands meestal geen tegenhanger hebben. Dat is niet de enige handicap voor de vertaler. Tsvetajeva’s poëzie is altijd een ondeelbaar geheel van klank en inhoud, met een duizelingwekkende originaliteit aan rijmen en metrums, aan stilistische lagen, en aan alle denkbare klankeffecten, die als het ware het cement vormen voor de vaak even duizelingwekkende inhoud. De inhoud zonder dat cement doet kaal en onsamenhangend aan. Daarom zijn juist bij deze dichteres letterlijke vertalingen nogal onbevredigend.

    En al is bij deze sprookjes het verhaalelement natuurlijk tamelijk sterk, juist hier speelt Tsvetajeva ook verstechnisch haar grootste troeven uit. De vraag is dus of deze prozavertalingen, hoe consciëntieus ze ook zijn, kunnen fungeren als zelfstandige teksten waar een poëzieliefhebber plezier aan kan beleven. Ik heb mijn twijfels. De vertalingen zijn boven verwachting goed leesbaar, laat daar geen twijfel over bestaan, maar ze doen toch verlangen naar ‘the real thing’. En misschien was dat ook wel de bedoeling. Dat Tsvetajeva ook met behoud van versvorm vertaald kan worden, bewijzen de in 1999 bij van Oorschot verschenen Werken. Wie zich geroepen voelt deze sprookjes – stuk voor stuk meesterwerken – te vertalen op een manier die recht doet aan Tsvetajeva’s verstechnische vernuft, kan meteen aan de gang gaan. Het voorwerk is door Jos Holtzer en Lena Lubotsky al ongekend grondig verricht.

    UitgeverPegasus
    Jaartal2015
    RecensentArthur Langeveld
    Editie2015-3