Recensies

  • Stalker

    Joost Decorte
    Stalker

    Je stukbijten op het sublieme

    Stalker, het debuut van Joost Decorte, vertelt niet het verhaal van een gids die in een sacraal gebied een schrijver en een wetenschapper begeleidt naar een mystieke Plek waarin je diepste wens zou worden vervuld. En toch heeft de bundel wel wat te maken met Tarkovsky’s beroemde gelijknamige film, want het is een werk dat gaat over de rusteloze benadering van het sublieme.

    Ik aard niet.

    Ik benader.

    In het loofhout blaft jong wild
    en noemt mij dader.


    Aldus Decorte in het openingsgedicht. Daarmee zet hij meteen de problematiek van de bundel neer: een ik probeert als een jager iets te veroveren dat niet te veroveren valt. Bovendien heeft de bundel, die je als één lang gedicht kunt lezen, net als Tarkovsky’s film de structuur van een topografie, een pad van het ‘hier’ naar het ‘daar’. Je begint in ‘het dorp’ (de eerste afdeling), om in de volgende afdelingen achtereenvolgens naar de bosrand te gaan en het bos te betreden, om uiteindelijk uit te komen op een plek die zich zowel in het hart van het ‘daar’ als van het ‘hier’ bevindt. De ik verovert niet, maar wordt veroverd. En raakt zo verloren en gevonden tegelijk. 

    En wat er dan van jou rest: iemand van wie ik blijf
    Heengaan, haperend als een naald

    Gepind aan een middelpunt

    Onbekend in dit land.

     

    Let op het enjambement in de eerste regel van dit fragment. Er staat: van jou [wat wordt benaderd] rest bij aankomst alleen dat waarvan ik moet vertrekken. Je kunt er niet mee samen zijn. En tegelijk ben je met dat gemis altijd samen, het is ‘iemand van wie ik blijf ’. ‘Lief ’ (met hoofdletter) noemt Decorte die iemand soms in deze bundel, een aanspreking van zowel het onbenaderbaar mystieke, als van een heel concrete geliefde.

    Decorte benadert dat onbenaderbare, die geliefde, door er eindeloos omheen te cirkelen. In uitermate evocatief lyrische taal, waarin vaak op het belachelijke af bijvoeglijke naamwoorden, poëtische beelden en zinswendingen over elkaar heen buitelen. Begrijpelijk, want je kunt het sublieme ook niet direct benaderen. In een van mijn lievelingsscènes uit Tarkovsky’s Stalker krijgt de wetenschapper door dat de afstand die hij moet afleggen naar De Plek hemelsbreed niet meer is dan tweehonderd meter. In de overtuiging dat hij met zijn scepsis Stalker ontmaskerd heeft, stormt hij er door het open veld op af. Meteen begint de aarde te beven en vangt er een storm aan, wat het hem onmogelijk maakt om verder te lopen. De enige mogelijke route erheen is die van Stalker: een die je alleen stapje voor stapje kunt nemen, vol onbegrijpelijke wendingen en belachelijke kronkelingen. Het gaat niet om de route zelf, maar om de bereidheid haar in alle belachelijkheid te bewandelen. ‘En meer nog zoals jij bent: gaandeweg.’ schrijft Decorte, of in een later gedicht, Willem Jan Otten citerend: ‘Ik bevind mij in wat ik zoek.’

    Toch is Decorte juist in zijn woordenvloed soms ook de wetenschapper die recht op zijn doel af gaat. Hij verliest (of juist: vindt) zich vaak in een filosofische uitleg van wat hij in zijn poëzie wil laten gebeuren. ‘Nu niet traag toegeven aan het gemak van de weemoed, maar van het verlangen/ De verte voortzetten in een nieuw en helder onderkomen.’ Daar, zou ik zeggen, geeft hij in zijn taal toe aan het gemak van de weemoed. Alsof hij soms meer gebiologeerd is door zijn visie op het onbenaderbare dan door de roep van dat onbenaderbare zelf, waardoor zijn werk zich van dat laatste neigt af te sluiten.

    Toch hou ik van Stalker. Want het werkt. Het onbenaderbare is nou eenmaal onbenaderbaar, behalve door je erop stuk te bijten. En dat doet Decorte. Naarmate de bundel vordert wordt zijn taal steeds spaarzamer en concreter. Alsof hij zijn eigen evocatieve lyriek laat leegbloeden, en uiteindelijk alleen dat verlangen naar het onbenaderbare overhoudt, dat aan het einde van de bundel niet meer ‘Lief’ is, maar een ‘zij’, afstandelijker en tegelijk dichterbij. Stalker is een gedurfd avontuur van een dichter die risico’s neemt, en die ik wil blijven volgen.

    UitgeverPoëziecentrum
    Jaartal2017
    RecensentJoost Baars
    Editie2018-1