Recensies

  • Nederland in stukken

    Maarten van der Graaff
    Nederland in stukken

    Het tweede speelveld

    Word-documenten, een index, een lijst en een contract. Montages van flarden en tekstregels, die, zo meldt de uitgever, afkomstig zijn uit de nalatenschap van de Utrechtse boekhandel De Rode Rat. De bundel Nederland in stukken is een complex geheel, waarin Maarten van der Graaff zich tegelijkertijd wél en niet lijkt te tonen. Het werk verdient de aandachtige inspanning van de lezer die bereid is zich er meermaals in te verdiepen en zo de verschillende betekenisniveaus te ervaren. Op het eerste gezicht richt de dichter zich op Nederland: een analytische blik op het land, voorzien van bewijsstukken. Maar het loont de moeite te focussen op de onderliggende thematiek.

    Dat de lezer vanaf de eerste pagina’s de uitdaging wil aangaan, is vooral te danken aan de overrompelende opening van het werk. Als een paukenslag komt het eerste gedicht, ‘Contract tussen man en jongen’, binnen en, zoals het een echte ouverture betaamt, worden de belangrijkste thema’s gedefinieerd.

    Allereerst de voorliefde van de dichter voor het spel met vervreemdende taalregisters. De vocabulaire van de zakelijke overeenkomst wordt ingezet om een traumatische gebeurtenis te schetsen: de aanranding van een jongen in een veld in Frankrijk, ‘hierna te noemen/ het speelveld’. Onmiddellijk manifesteert zich een ander thema: de (seksuele) wording van de lyrische ‘ik’, verscholen achter formele taal. Het ongerijmde van dit vertoog maakt de weergave van de gebeurtenis des te indringender. Tegelijkertijd wordt de tweedeling zichtbaar tussen het niveau van de verdrongen realiteit en de ‘literaire verwerking/ van deze handelingen’:

    de jongen verbindt zich gezond te worden
    met uitzondering van wat hij schrijft
    te weten tekst
    hierna te noemen
    het tweede speelveld van de jongen


    Niet alleen Nederland is in stukken, maar ook ‘de jongen’ die, ondanks het afstandelijke taalgebruik, met de auteur geïdentificeerd wordt. Door de vermenging van de twee speelvelden is de aanwezigheid van het verleden van de dichter minder expliciet: mogelijke referenties aan zijn jeugd verdwijnen in fragmentatie en ambiguïteit.

    De compositie is helder: het trauma van het openingsgedicht wordt gevolgd door twee afdelingen waarin de montage van fragmenten centraal staat. De gespleten toestand van de lyrische ‘ik’ geeft hem een scherp oog voor de versplintering van de Nederlandse samenleving en de afhankelijkheid van frases en formules. Toch komen later de pijn en de eenzaamheid weer aan het oppervlak.

    Opvallend daarbij is het herhaalde gebruik van de woorden ‘dolor’ en ‘ipsum’, vaak ook in kapitalen geschreven. Dat doet denken aan de term Lorem Ipsum, de model-tekst die wordt gebruikt in de grafische wereld, en tegelijk aan het ‘dolorem ipsum’, de pijn zelf van Cicero. Door de woorden niet naast elkaar te gebruiken, brengt Van der Graaff een scheiding aan tussen de pijn en het zelf, zoals dat bij trauma vaak het geval is. Opnieuw bevinden we ons op het raakvlak tussen de standaardtekst en de persoonlijke ervaring van de dichter.

    Zelfs het onderduiken in de ogenschijnlijk veilige omgeving van ‘De Nederlandse commune’ levert tegenstrijdigheid op. Enerzijds vindt identificatie plaats met een groep gelijkgestemden: ‘We werden stedelijk om seks te hebben, kunst te maken en ons dood te drinken’. Anderzijds staat de Nederlandse commune voor ‘vernietiging’ en ‘een mislukte staat’; de vrienden zijn slechts ‘een commune voor een dag’.

    De vorige bundel van Maarten van der Graaff, Dood werk (2015), bestond uit lijsten en in tijd gevatte dichtregels. Ook in Nederland in stukken overheersen de taalregisters die je in eerste instantie niet met poëzie in verband zou brengen. Met de keuze voor de enumeratie plaatst de dichter zich in een literaire traditie. Onder andere Thomas Mann, Joyce en Borges gingen hem voor in opsommingen van losse, zelfstandige elementen. Het ritme van een dergelijke litanie binnen het kader van een prozawerk doet poëtisch aan. Umberto Eco meende dat een lijst vanwege zijn oneineindigheid ‘geen ontwikkeling, geen drama, geen hiërarchie’ kent.

    De lijst in Nederland in stukken, getiteld ‘Residuen’, heeft echter een ander karakter. Het is eigenlijk een gestructureerde vertelling, hoewel het in genummerde elementen is verdeeld via op het oog willekeurig aangebrachte cesuren. Deze afbrekingen doorbreken juist het ritme en geven een zekere hoekigheid aan de tekst. De ordening tot in het absurde: kan een opsomming van 555 items nog een lijst genoemd worden?

    Het beproefde literaire procedé is bij Van der Graaff constant aan transformatie onderhevig: de confessie krijgt de vorm van een contract en in de lijst verschuilt zich een verhaal. Telkens komt ontwrichting in contact met de formule en dringt chaos binnen in het kader van de vaste vorm: ‘Word heeft onleesbare inhoud aangetroffen’. De dichter maakt het waarom van dit spel met de vorm expliciet: ‘Het leven is een formele vraag en verdient een formeel antwoord’. Door steeds het keurslijf van het document te doorbreken laat Maarten van der Graaff op virtuoze wijze zien dat het antwoord er niet is. Toch gaat Nederland in stukken niet om vorm; onder het cynisme verbergt zich een intrigerende introspectieve zoektocht, moedig en strijdbaar.

    UitgeverPluim
    Jaartal2020
    RecensentAnneMieke Vulkers
    Editie2020-2