Recensies

  • Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden. En een postscriptum

    Runa Svetlikova
    Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden. En een postscriptum

    Poëtische miserie?

    Vier jaar na haar veelgeprezen debuut Deze zachte witte kamer (2014) is er nu de tweede dichtbundel van Runa Svetlikova. Behalve dat het Svetlikova, na het succes van haar eersteling, moeite kostte om nieuwe woorden op papier te krijgen, zat het de afgelopen jaren niet mee, schrijft ze op haar website. Dat het boek er toch kwam, was ‘uit pure miserie’. De bundel vormt ‘een rauwe ongecensureerde neerslag van het soort periode die iedereen wel eens meemaakt’. Op de achterflap heet het ‘de neerslag van een rotjaar uit het leven van de dichter’ en ‘een poëtisch zelfhulpboek dat werd geschreven voor zij [sic] die een hekel hebben aan zelfhulpboeken en zij [sic] die een hekel hebben aan poëzie’.

    Met deze uitlatingen kan de bundel als een poëtisch equivalent begrepen worden van wat in het Engels taalgebied ook wel wordt aangeduid als Misery lit: een populair literairbiografisch genre waarin het te boven komen van een persoonlijk trauma (meestal opgedaan tijdens de kindertijd) centraal staat. In Drieëntwintig tips gaat het niet om een jeugdtrauma (hoewel de verteller wel even vermeldt dat zij als kind vaak niet werd opgehaald van school), maar volgen we de worsteling met een depressie.

    Het openingsgedicht constateert een absoluut nulpunt (‘dit het einde van iets/ waarvan je dacht dat het begin was’). De verteller, die blijkbaar eerder probeerde de symptomen te bagatelliseren, kan er niet meer onderuit: ‘het is de griep niet’, maar het is toch goed even te gaan liggen. Vervolgens begint het lange traject van het onder ogen komen, benoemen, erkennen en accepteren van de demonen en metaforische hond uit de titel – niet zonder betekenis gezet in zwarte letters. Ieder daaropvolgend gedicht bevat een vaak nogal direct geformuleerde ‘tip’ die inderdaad niet misstaat in een zelfhulpboek. Naast ‘ga even liggen’, is het duidelijk dat je minder streng voor jezelf moet zijn (‘een kutdag mag’), dat je van niemand goede raad hoeft aan te nemen (‘fuck de tienvingeroefening’) en dat je alle tijd mag nemen ‘die je niet wilde maar toch nodig hebt’.

    De verteller heeft moeite de zaken precies te benoemen, het gaat om ‘het gapende ding in je binnenste’ of ‘dit ding waarin je verstrikt zit’, om ‘iets dat cirkelt’ en ‘van die dagen’. Nu is het benoemen van de depressie een belangrijke rode draad in de bundel, maar de weinig precieze omschrijvingen geven de gedichten tegelijkertijd een vaagheid die naar mijn idee haaks staat op de aangekondigde directheid. Nergens kruipt de tekst écht onder de huid. De gebruikte metaforen zijn allicht ongecensureerd en rauw maar laten ook weinig aan de verbeelding over. Zo lezen we dat de verteller probeert recht te blijven staan in de ‘strondvloed’ of zichzelf dwingt een vinger te leggen op ‘de stinkende wonde’ opdat de ‘viezigheid ontpopt’, in het ‘postscriptum’ tenslotte bevinden we ons ‘in een zee van diarree’.

    Het postscriptum wordt gepresenteerd als een soort toegift, na het drieëntwintigste tip-gedicht waarin de verteller voorzichtig durft te constateren dat het beter gaat: ‘Zoals je na de griep eindelijk weer opstaat en geniet/ dat je niet meteen weer moet gaan liggen zoiets’. In tegenstelling tot wat ze gedacht had, blijkt er weer een toekomst denkbaar. Er is ‘nieuwe grond’ gevonden. De hond is aangelijnd. De ruimte die dit oplevert wordt zichtbaar in het postscriptum, dat wat mij betreft ook meteen het meest geslaagde gedicht is van de bundel. De dwingende, tweede persoons aanspreekvorm is overboord gegooid, de tip verandert hier (passend bij het misery lit-genre dat niet alleen de mooie maar ook de onooglijke kanten van het persoonlijke leven toont) in een uitnodiging om in de bestaande zee van diarree ‘een eiland van echt te zijn’.

    UitgeverMarmer
    Jaartal2018
    RecensentMarieke Winkler
    Editie2018-2