Recensies

  • Inzake dit huis

    Hester Knibbe
    Inzake dit huis

    Schrap het heftigste woord

    Wat is nu eigenlijk klassieke poëzie? Je denkt aan gesublimeerde emoties, rake maar beheerste beelden, welgevormde zinnen, evenwicht. Geen gevoelsuitbarstingen, geschreeuw, maar ook geen eindeloos gefilosofeer of praatzucht. Mozart, geen Berlioz! Het klassieke streeft naar harmonie en omdat het dat doet in een chaotische wereld kun je het als een soort ideaal beschouwen, een troost voor al het onvolmaakte om ons heen. Klassieke dichters zullen er zijn zolang de beschaving bestaat want zij vertegenwoordigen die beschaving, waar anderen er misschien juist aan willen knagen met opstandige, vormeloze verzen, (quasi-)ongeregisseerde gedachtenoprispingen, getoeter, ironie, experimenteerdrift. De klassieke dichter heeft er vertrouwen in dat de taal iets moois en waardevols kan communiceren. Hij ziet ook wel dat de wereld verbrokkeld en imperfect is, maar hij wil daar iets tegenover stellen. Zo’n klassieke dichter is Hester Knibbe, die het in haar werk zeer uitgebreid over het onvolmaakte en ontoereikende heeft maar nooit op een manier dat je bij de pakken neer gaat zitten vloeken, integendeel: haar bedoeling is juist dat je vrede vindt in al dat menselijke en dierlijke van ons. Althans zo lees ik haar werk, als een poging om gevoelens, dingen en feiten met elkaar te verzoenen. Is dat braaf? Ja, dat is braaf, maar het is ook humanistisch en groots, de mens op z’n best. Daarom peurt de klassieke dichter niet al te diep in de ziel van de mens en begeeft hij zich niet al te zeer in ongewisse speculaties, want alles is een glibberig pad en dat wil hij juist niet. Neem deze regels uit de cyclus ‘Klein dier’ in Knibbes jongste bundel Inzake dit huis: ‘Ik heb een lief dat mij tussen de regels spelt./ Hij gaat ervan uit, nee leest dat ik// een lichaam heb warm van zichzelf met/ kleine onrustige bewegingen met hoofd hart// en een rede die ik soms uitzet.’ Over twee mensen, de een begripvol voor de onrust in de ander; batig saldo: harmonie. En dan die manier om over die onrust van de ik te praten, van een afstandje in plaats van van binnenuit, met een omweg in plaats van direct, zelfs al gaat het om de ziel van de ik-persoon. De klassieke dichter is typisch een beschrijver in plaats van een uitbeelder, meer een analyticus dan een syntheticus. Hij ontleedt en cartografeert emoties, zodat ze minder pijn doen. In bijvoorbeeld de gedichten in de cyclus ‘Kamer’ beschrijft Knibbe het leeghalen van een bureau van een gestorvene: ‘Gevonden zijn sprekende handschrift// denkwerk zwerftochten/ aangestreept op landkaarten// Wat ooit moest worden behouden gaat/ door mijn handen en ik vind zijn/ naklank’. Ook hier weer dat voorzichtige, gedistantieerde, geen vanzelfsprekende vereenzelviging maar een tedere en abstraherende beschrijving van wat de twee bindt. Dat is geloof ik, psychologisch, wat de klassieke dichter kenmerkt: de voorzichtigheid waarmee hij gevoelens, ervaringen en gebeurtenissen benadert en die hem er soms toe brengt om geijkte beelden en zinnen te gebruiken, zoals in een formuliergebed dat toch altijd iets plechtstatiger klinkt dan een geïmproviseerd gebed.

    Niettemin, ondanks haar klassieke inslag en de daarbij passende helderheid schrijft Knibbe toch opmerkelijk vaak over ongrijpbare zaken; de ziel, de dierlijke instincten in ons, zaken als onrechtvaardigheid, onbegrip. En ook de wereld van nu is in dit eerder tijdloze dan actuele universum niet afwezig, zoals in het gedicht ‘Om niets’ waarin geWhatsAppt wordt met zelfs een emoji tot slot. Knibbes poëzie is zeker niet wereldvreemd of wereldontheven, maar dat neemt niet weg dat ze blijft zoeken naar balans, zoals in ‘Slaapliedje’, waarin het kind dat in plaats van de pap het mes wil, te horen krijgt:

    Schrap het mes, het botte geslepen
    mes, voed het kind het mollige magere en

    leg het te slapen. Span het paard voor de wagen
    er hangt slaap in de lucht, zoveel rozige
    ranzige slaap dat het zaagt

    aan beweging en adem. Dus
    hop de straat op een kruispunt over een
    zijlaan in, schrap het heftigste woord schrap de onzin
    van

    weg. Wieg suja suja het kind het mollige
    magere oude kind

    Een gedicht waarin alle tegenstellingen worden geïnventariseerd: bot-geslepen, mollig-mager, rozig-ranzig, snurken-ademen, oud-kind. En daardoor ook in zekere zin tegen elkaar weggestreept. Schrap het heftigste woord, zegt ze, maar ook: schrap de onzin van (witregel/het ongezegde/niks) weg. Ik lees daarin de raad om niet over, maar ook niet ónder de schreef te gaan. Iets gemiddelds dus. Maar het is een gemiddelde waarin je bij Knibbe steeds de spanning voelt tussen wat er gebeurt en wat ze beschrijft, tussen wat ze voelt en hoe ze het in beeld brengt. En nee, ze gaat niet los, een eigenschap die in deze wereld van irrationele emoties en onderbuikgevoelens misschien meer dan ooit valt te waarderen.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2020
    RecensentRob Schouten
    Editie2020-2