Recensies

  • Akoestiek

    Arjen Duinker
    Akoestiek

    Ik noem je een en een is twee

    Alleen al vanwege de titel is het verleidelijk om Akoestiek (vooral) muzikaal te lezen. Volgens de titelpagina van deze nieuwe bundel van Arjen Duinker (1956) bestaat die uit tien ‘gedichten voor twee stemmen’. Duetten dus, zou je gemakzuchtig kunnen aannemen voordat je aan de gedichten zelf begint. Die lijken echter op het eerste oog meer op gesprekken dan op composities. Steeds zijn er twee stemmen aan het woord, die op elkaar reageren, langs elkaar praten of even in hun eigen wereldje zitten. Het begrip ‘akoestiek’ heeft immers ook betrekking op de mate van galm.

    Deze bundel lijkt voor een groot deel om weerklank te draaien. Menige zin begint met een bevestigend ‘Ja’, en expliciete ontkenningen vind je niet, maar die stemmen zitten vaak niet op dezelfde lijn. Proberen te achterhalen aan wie ze toebehoren strandt mede daarom al snel, al betwijfel ik of identiteiten achterhalen echt relevant is. Deze gedichten glibberen behendig langs sluitende oplossingen.

    Het openingsgedicht ‘Tatabánya’ is exemplarisch voor Akoestiek: flarden alledaagse taal worden afgewisseld met abstractere of kunstigere formuleringen. Stem 1 vraagt bijvoorbeeld: ‘Wil je nog een biertje of is het te vroeg?’ Stem 2 antwoordt met: ‘Ik weet het weer/ Ik heb je naam geroepen op het water’. Stem 2 reageert dus niet direct, maar vraagt later verschillende keren toch om dat biertje, waar stem 1 zich dan weer niets van aantrekt; net een scène uit een comedy.

    Bovendien ‘vervallen’ de stemmen in
    Akoestiek vaak in iets dat toch vooral met muziek te maken lijkt te hebben. Er zijn klankspelletjes (‘Hola bola glaasje cola’; ‘Kruiksbek koekoek kuifeend / Kneu kemphaan klapekster’), maar het opvallendst zijn de herhalingen van formuleringen en beelden, die soms in combinaties terugkeren. Schijnbaar ongerelateerde opmerkingen over bijvoorbeeld Toscane, en een droom over King Kong vormen een paar regels later de opmerking ‘Ik droomde van King Kong in Toscane’. Die muzikaliteit en speelse formuleringen zorgen voor een lichtvoetige indruk, die wordt versterkt door de uitgebreide aanwezigheid van alledaagse onderwerpen: sport, de afhaalchinees, bioscoopbezoek.

    Onder die speelsheid en dwarse trekjes klopt echter een serieus hart. Er wordt opvallend vaak gesproken over of gespot met allerlei zaken die richting geven of waarmee je grip kunt krijgen op de buitenwereld: van topografie tot godsdienst. Erg geestig is de terloopse opmerking ‘Ik zit bij twee kerken/ Dat komt er nog eens bij’, wat ik lees als het religieuze equivalent van op twee paarden wedden. Waarom zou je bij Duinker maar inzetten op één leeshouding en het serieuze en het speelse van elkaar proberen te scheiden?

    Die miscommunicaties laten zich vaak ook lezen als metafysische of mystieke verkenningen. In ‘Red me’ (alleen die titel al!) smeekt stem 1 aanvankelijk nog om gered te worden, waar natuurlijk weer langs gekletst wordt door stem 2, tot ook 1 op het laatst niet meer zo geïnteresseerd lijkt in die redding. Hij ‘zie[t] opeens je broer’, wat doet twijfelen of die ander nu (een) God is. Maar maakt dat eigenlijk veel uit? In een ander gebedachtige gedicht, ‘Ik noem je’, geeft stem 1 een aantal ‘namen’ aan 2, waaronder ‘een en een is twee’, ‘niemand in het bijzonder’ en ‘twee monden’. Ook 2 probeert op zijn beurt 1 te benoemen. In dit gedicht is het eveneens discutabel of een van de twee God is (of waarom niet allebei?), maar de even speelse als ernstige poging tot het kennen van de ander doet in elk geval behoorlijk denken aan mystiek.

    De ander – zijnde de stem, het gedicht of de hele bundel – met de simpele logica van een rekensommetje vergelijken schiet tekort; anders had het proberen al snel en succesvol kunnen eindigen. Tegen beter weten in toch nog nieuwe namen en interpretaties te verzinnen zou je een vorm van wanhoop kunnen noemen, een poging om tegen de klippen op een systeem aan te leggen, maar even goed ook een verdomd aanstekelijk spel.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2020
    RecensentMaarten Buser
    Editie2020-2