Recensies

  • Alle zeeën zijn geduldig

    Ineke Riem
    Alle zeeën zijn geduldig

    Door een andere lens

    ‘Poëzie was echt mijn eerste liefde: ik schrijf vanaf mijn zestiende gedichten,’ vertelt Ineke Riem in een interview op loodmagazine.nl. ‘Ik ging Nederlands studeren omdat ik dichter wilde worden. Ik probeerde mijn gedichten gepubliceerd te krijgen, maar ze waren toen nog zweverig en zoetig. Het moest nog een beetje aarden. (...) Ik was best gedesillusioneerd en stopte met poëzie schrijven.’ En nu, amper twee jaar nadat Riem succesvol als prozaschrijver debuteerde met Zeven pogingen om een geliefde te wekken, is haar debuutbundel toch verschenen: Alle zeeën zijn geduldig.

    Geheel geaard kan men Riems gedichten nog steeds niet noemen, dat wil zeggen: ze hebben een flinke (en aangename) vleug desoriëntatie behouden. En erg bitter of zuur is haar toon ook niet geworden, hooguit is de zoetheid aangelengd met een royale portie zeezout. Tegen een achtergrond van water, golven en duinen tovert ze haar wiebelige belevingswereld tevoorschijn.

    Niet de waarnemingen zelf, maar de formulering ervan legt een waas tussen dichter en lezer, suggereert Riem in ‘Scherptediepte’: ‘Wat zie je? vroeg je./ Met trillende hand stel ik mijn woorden scherp.’ Niet het beeld dus, maar de woorden moeten worden scherpgesteld.

    Telkens benadrukken de gedichten dat wederzijds begrip tussen het individu en de buitenwereld niet bepaald vanzelfsprekend is, en voor de eigen ontwikkeling ook misschien niet eens strikt noodzakelijk. Het titelgedicht, dat zich in de tweede helft van de bundel aandient, is illustratief voor Riems perspectief en beeldentaal:

    Onze gesprekken zien er niet uit. We hebben zoveel tijd nodig
    dat zeepokken en algen uitstekend op onze woorden kunnen groeien.

    Een vreemde laag onderzeese roest bedekt onze gebaren, de logica strandt
    op een zandbank en wij, we draaien eindeloos om de parels heen
    (verschuilen ons in een slakkenhuis).

    Anderen vinden ons onvermogen aandoenlijk, hoe wij elkaar vermoeien
    met schelpengruis. Maar de binnenkant van je stem heeft een iriserende glans.
    Er is groen, zelfs magenta, en eens

    wordt het springtij. De stilte valt droog, meeuwen pikken naakte letters
    en mijn oor zigzagt over je borstkas om te luisteren naar de zee.


    Wat hier in zit, treffen we ook in veel van de andere gedichten aan: onregelmatige, vaak lang doorlopende regels, kleurrijke synesthesie, aan zee en strand ontleende metaforen, soepele overgangen tussen concrete en meer lyrische observaties, een schets van stokkende communicatie tussen individuen, een buitenwereld die de boel op z’n best welwillend misverstaat, en uiteindelijk ook de relativiteit van de noodzaak elkaar helemaal goed te verstaan.

    Het personage dat deze elementen bij elkaar houdt, is de aangespoelde zeemeermin. Een vooral in deze bundel goed passende metafoor voor de conditie en ontwikkeling van de dichter zelf. En, mogen we er lijkt me achteraan denken: van iedereen die nu eenmaal op aarde terecht gekomen is. In een aangrenzend, maar wezensvreemd universum, moet de zeemeermin zich weten te redden met wat haar ter beschikking staat. Dat gaat natuurlijk met vallen en opstaan, maar een hopeloze onderneming is het volgens Riem niet. Logica strandt, maar de dichter helpt haar (en/of zichzelf) wel weer overeind. Soms helpen anderen een handje (uit het droogkomische ‘Albino’: “‘Aangespoeld, zeg je? En was ze nog heel?’ (...) // ‘En nu, ga je haar weer uitzetten?’/ ‘Als ze aangesterkt is. Dit is toch niks voor haar.’”), en veelal vergt het eigen doorzettingsvermogen en inventiviteit: ‘Je drama is een practicum/ zachtmoedigheid als je kijkt door een andere/ lens. Smeer je schaduw in met zonnemelk/ en land losjes op wat is.’

    Die andere lens, dat is waar het in deze bundel uiteindelijk steeds om draait: waar de woorden scherpgesteld genoeg zijn, kunnen we de wereld in al zijn veelvormigheid met een nieuwe blik waarnemen en ons eigen maken. Door de lens van de dichter die Riem geworden is.

     

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2015
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2015-3