Recensies

  • Nu is al te laat

    Erik Spinoy
    Nu is al te laat

    Een romantische postmodernist

    De jongste bundel van Erik Spinoy (1960) is zoals al zijn andere werk postmodernistisch. Nu is al te laat is zeer zelfbewust; dat we hier met het medium taal (met tekst) te maken hebben, wordt voortdurend benadrukt, alleen optisch al. Spinoy maakt gebruik van inspringingen (niet zonder betekenis op de wijze waarop in een prozawerk een langer citaat wordt weergegeven: de passage ingesprongen en tussen witregels geplaatst), sommige woorden of regels zijn onderstreept of gecursiveerd, de titel van één bepaald gedicht bevat een icoontje (een hartje), een andere een hashtag (met het gebruik van deze twee tekens wordt verwezen naar een bepaald type teksten: die op sociale mediasites als Twitter en Facebook, alsook de berichtendienst WhatsApp), in één gedicht staan accolades, en in een ander wordt een schetsmatige pentekening opgenomen.

    Daarbij citeert Spinoy veelvuldig dichters en filo- sofen, onder anderen Paul Celan, Orpheus, Michel de Montaigne, Pascal, Leopold, Lucebert, Apollinaire passeren de revue. Dat het hier citaten betreft, wordt zeer expliciet gemaakt: aanhalingstekens worden weergegeven en de naam wordt vermeld – bijna schools, als met een knipoog, als docerend (Spinoy is hoogleraar aan de Universiteit van Luik).


    Ook zijn de gedichten discontinu, fragmentarisch, en vallen ze met moeite (of in het geheel niet) tot een totaliteit te herleiden.

    Interessanter dan de bijna obligate citaten in engere zin, de intertekstuele referenties, zijn de contextuele referenties (vaak tevens intertekstueel), de verwijzingen naar historische en hedendaagse gebeurtenissen, vaak enkel voor de ingevoerde lezer te herkennen – verwijzingen naar oorlog en verwoesting op grote schaal, ongekende wreedheid, moorden en gestoordheid. Spinoy is weliswaar een postmodernist, zijn poëzie vormt geen vrijblijvend en koket spel. Integendeel, er spreekt een diep en ernstig engagement uit. In zoverre heeft deze bundel wel degelijk een centrum, een centrale thematiek: de destructieve driften van de mens – al is dat centrum niet altijd op het niveau van de individuele, afzonderlijke gedichten te ontwaren.

    In het gedicht ‘Angst essen Seele auf’ verwijst het centrale, ingesprongen middengedeelte naar de Kesselschlacht (of ketel) van Demjansk, waarbij maar liefst zes Duitse divisies door het Rode Leger werden omsingeld. Dankzij een luchtbrug konden de troepen die in de val zaten worden bevoorraad, tot zij wisten uit te breken (Unternehemen Fallreep).

    In het daaropvolgende gedicht, ‘De geest is dus een bot’, wordt gerefereerd aan een actuele gebeurtenis: op 23 januari 2009 vond er een steekpartij plaats in kinderdagverblijf Fabeltjesland in Oost-Vlaanderen, waarbij drie doden vielen. De dader was de 20-jarige Kim de Gelder, volgens psychologen Laceur en Hoornaert lijdend aan paranoïde schizofrenie en psychoses. Het hof was echter bevooroordeeld – De Gelder (‘een vreemde bleke jongeman’) moest hangen.

    Andere gedichten verwijzen onder meer naar een aanval van de guerrillagroepering FARC op een eenheid van het Colombiaanse regeringsleger waarvan de ‘embedded’ journaliste Charlotte Stafford verslag doet op haar blog (‘Neusjes van de zalm’ en ‘Driemaal woordwaarde’), en de nachtelijke raids van Lancaster-bommenwerpers op Berlijn tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarvan reporter Wynford Vaughan-Thomas aan boord van een van de toestellen live verslag doet voor BBC-radio, terug te vinden in On the Natural History of Destruction van W.G. Sebald (‘Geronnen [van het Middelnederlandse “rinnen”]’ – in dit gedicht citeert Spinoy ook weer, in de strikte zin des woords, uit het ooggetuigenverslag).

    Veelal is dit soort documentairemateriaal (‘found footage’) in het middendeel van het gedicht ingebed in strofen met een soms uitgesproken lyrische stijl – Spinoy schrijft weerbarstig maar helder, zwierig maar strak en scherp, onderkoeld en afstandelijk maar zeer expressief en gedurfd. Zijn poëzie is bijzonder klank- en kleurrijk, en de adjectievendichtheid is hoog – de dichter trekt zich gelukkig niets aan van schoolse ‘poëzieregeltjes’. Spinoy is misschien wel in de eerste plaats een lyricus en een romanticus, waarvan de postmodernist een integraal deel vormt.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2015
    RecensentWillem Thies
    Editie2015-3