Recensies

  • Verlies me niet

    Jacob Groot
    Verlies me niet

    Zien hoe je achterloopt

    Poëzie is tot in haar witregels uitgerust om verlies te verwoorden. Zo kan zij je in het lijden eraan bevestigen, of ze kan je precies die woorden geven die je ontbreken. Zoals de Amerikaanse dichter Jill Bialosky in Poetry Will Save Your Life schrijft: ‘It gives shape to those empty spaces within us that we have no words for until we find them in a poem’.

    Denk aan hoe goed Campert daarin slaagt in het zich steeds hernemende ‘Lamento’ of aan Frank Koenegrachts warme ‘Brief aan mijn moeder’ waarin op de naderende eindigheid van de geadresseerde wordt gezinspeeld.

    Wie dergelijke gedichten zoekt, voor gelegenheden of ter vertroosting, kan terecht bij de thematisch geordende bloemlezingen van Anne Vegter (Je bent mijn liefste woord) en Jozef Deleu (Groot verzenboek). De Britse dichter William Sieghart zet in zijn The Poetry Pharmacy in zekere zin nog een stap verder in de richting van de lezer, door de thematisch gerangschikte gedichten zelfs te voorzien van een korte bijsluiter.

    Er zijn ook dichters die volledige werken wijden aan verlies. Opvallende recente voorbeelden zijn Max Porters prozaïsche Verdriet is het ding met veren, waarin een jonge vader van twee kinderen de dood van zijn partner probeert te verwerken en Pieter Boskma’s heldere, melodieuze Doodsbloei, dat hij schreef na het overlijden van zijn vrouw – en dat soms als een louteringsproces wordt ervaren bij een eigen verlies.

    Aan dit slag bundels kan Verlies mij niet worden toegevoegd. Het bevat slechts één gedicht dat uit 52 delen bestaat. Dat het gedicht uit evenveel delen als het jaar uit weken bestaat, zinspeelt op een cyclus. Bij Jacob Groot begint deze cyclus niet bij de geboorte, maar bij de dood van een dierbare, en roteert door de verwerking tot een zekere afstemming bereikt is, en staat op dat punt evengoed weer op de drempel van een nieuw proces van verwerking.

    In aanvankelijk ergens als logische proposities aandoende zinnen, die gaandeweg wat ‘losser’ worden, schrijft de dichter vanuit het verlies van zijn eigen moeder. Dat verlies is weliswaar groots, maar niet aangezet of opgesmukt. Het verlies is oprecht – juist dankzij het filter van zijn poëzie. Dat filter zorgt er ook voor dat het niet specifiek om zíjn verlies gaat, het is universeel gemaakt.

    Wie een verlies als van een naaste kent, zal daarom zich in de bundel van Jacob Groot herkennen. Wie een dergelijk verlies nog bespaard is gebleven, reserveer voor dat moment een plek in de boekenkast. Je zult vaststellen: zo is het.

    Het is overigens niet de eerste keer dat Groot poëzie aan verlies paart. In Zij is er (2002) schrijft hij: ‘De poëzie moet geen afscheid nemen, zij haalt of brengt de tijd’. Het lijkt haar taak zand te strooien in je ogen ‘om te zien hoe je achterloopt/ in de voorsprong op jezelf’.

    Groot is in zijn dichterschap steeds compacter gaan schrijven. Verlies me niet heb ik om die compactheid zeer traag gelezen – een welkome variatie op het gejaag van alledag, waarin je steeds die voorsprong neemt, en waarin niet alleen steeds iets nieuws zich aandient, maar ook waarin een drang tot loslaten verscholen zit.

    In het negentiende deel van zijn gedicht wordt een trage lezing daadwerkelijk voorgesteld, al voel je aan je water dat in plaats van het woord gedicht eigenlijk het woord verlies of verdriet moet worden gelezen; de vader zegt tegen de ik-persoon:

    Dit gedicht is voor jou maar pas op, het geeft zich niet onmiddellijk
    prijs. Je moet het langzaam tot je nemen, het is namelijk
    ondoorgrondelijk

     

    Trefzeker zijn de enjambementen, paradoxaal de uitspraak. Net als een goed gedicht, valt verlies uiteindelijk ‘niet op te lossen’. Ook al begrijp je het, het ontglipt je. Bij poëzie is dat doorgaans juist het interessante ervan, bij verlies is dit het element waarmee je uiteindelijk zult moeten leren leven.

    Hoe werkt het verlies van een dierbare? Dergelijk verlies is alomvattend. Zij is groot en in al het kleine aanwezig. Soms is het: ‘Snij de herfsten open, ze lusten je rauw’ en even later laat opeens ‘de olifant van de avond zich bladstil op de piste vallen’. Dan weer komt verlies tot uiting in het gesprek dat je met de ander blijft voeren:


    Hoe is het nu nadat je weg woei terwijl je wind was?

    Dat is een lang verhaal


    Zo snel viel ik stil, zeg je?

     

    Soms verlaat de ander niet alleen jou, maar verlaat jij ook die ander door even niet meer met hem of haar bezig te zijn. Zo leidt de omgang met verlies naast tot verdriet ook tot opluchting, waarop spijt volgt die weer tot verdriet leidt, en waarop weer opluchting volgt en spijt.

    Herinneringen en gemis buitelen over elkaar heen in dit werk. Zijn verzet tegen een leven zonder moeder is voelbaar. Pas ver richting het einde van de bundel komt er iets meer berusting in, lijkt het, zonder aan pregnantie te verliezen.

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2018
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2018-2