Recensies

  • Meer mensen dan reddingsvesten

    Willem Thies
    Meer mensen dan reddingsvesten

    Stijl vindt ondergrond

    Willem Thies (1973) kende ik aanvankelijk van zijn recensies voor De Contrabas. Het ging om lange stukken die iets prettig stuurloos hadden, en vaak lazen als een ‘hé, ik bedacht nog dit, laat ik het maar opschrijven’-achtig leesverslag. Daarom vond ik het des te verrassender dat ‘mijn eerste Thies’, Twee vogels één kogel (2012), beheerste en zelfs ingehouden poëzie liet zien. De overeenkomsten tussen de dichter en de recensent Thies werden na een tijdje lezen evengoed duidelijk, bijvoorbeeld in de aandacht voor observatie en voor klankgebruik. In die bundel, en in voorganger Na de vlakte (2008), stonden veel observerende, opsommende gedichten. In ‘Parade’ (Twee vogels, één kogel) staat bijvoorbeeld:









    Zonlicht zwermt boven dampend asfalt.
    Een tractor sproeit water over de brug
     
    van een kanaal. De slagboom daalt,

    een parade van masten, het verbeten mimespel
     
    van automobilisten, de verwensingen door glas
    verstomd. De schepen, trots, waardig en traag,
     
    niet geraakt door de lage vloeken van het haastig
    landvolk op de kant, mond uit in open water.

     

    Over zulke regels werd in een recensie op het internetmagazine 8weekly van die bundel wat onbeholpen, maar terecht opgemerkt: ‘Het wordt [...] niet duidelijk waarom specifiek dit stukje wereld zo bijzonder is.’ Zulke gedichten schreef Thies vaker. Ze hadden iets lijstjesachtigs, en misten iets; noem het gewicht of urgentie. In het gedicht ‘Super U’ uit ‘Quitte’, de sterke openingsafdeling van Thies’ meest recente bundel Meer mensen dan reddingsvesten, zet hij die opsommende stijl echter op sterke wijze in. De afzonderlijke elementen krijgen een symbolische lading:

    In deze supermarkt verstaat niemand onze woorden.
    De koopwaar spreekt voor zich: een brood

    is een brood. We lopen langs de stapels
    
blikken, flessen olijfolie, de vissen op ijs
    en krabben met hun ogen op steeltjes.
    Ik staar terug. We zwijgen en laden.

     

    De afzonderlijke delen krijgen gewicht, en illustreren afstand (het ijs), en vervreemding (die ogen op steeltjes) tussen de geliefden. Die thematiek van een bekoelde relatie beheerst de hele eerste afdeling. In ‘Indringer’ wordt bijna onopvallend op een buitenechtelijke relatie gezinspeeld: ‘Het mag zijn dat je lichaam mij bekend is,/ het is mij niet langer welgezind. Het ademt/ naast mij onder de lakens, als iets verdwaalds./ Zijn warmte is de mijne niet, de rug een wand.’ De titel van het gedicht indachtig krijgt ‘Zijn warmte is de mijne niet’ een dubbele betekenis. Aan het eind van de afdeling volgt weer een (voorzichtige) toenadering, maar het hoe en waarom blijft duister.

    Meer mensen dan reddingsvesten is niet de bundel die ik op basis van de achterflap verwacht had, waarop vermeld wordt: ‘Pijnlijk wordt in beeld gebracht hoe groeiende afstand een relatie onder druk kan zetten.’ Eerlijk gezegd had ik een bundellange uitwerking van dat thema verwacht, en dat gebeurt niet. Na ‘Quitte’ volgen drie afdelingen met de inmiddels van Thies bekende mix van anekdotiek en opsommende observaties. De onderwerpkeuze is donkerder geworden; onder meer de Eerste Wereldoorlog, een nieuwe ijstijd, massasterfte van vissen worden aangesneden. Let ook op het indringers- en invasiemotief dat geregeld opduikt, en dat ‘Quitte’ via ‘Indringer’ aan ‘de rest’ van de bundel koppelt. Ook de lijstgedichten zijn zwaarder van toon. In ‘Reddingsvesten’ staat bijvoorbeeld: ‘1. Een mager paard dronk uit de zoete zee. 2. Vruchten lagen verspreid in het zand. [...] 7. Een zilverreiger vloog op. 8. In de boot: meer mensen dan reddingsvesten. 9. Regen ratelde die avond op de golfplaten daken.’

    Af en toe keert Thies terug naar de relatiethematiek. In het gedicht voor Gerrit Komrij schrijft hij over ‘de vrouw die jouw dood met mij deelde’; opeens voelen ze zich weer (even?) verbonden. Die sporadische verwijzingen zijn eigenlijk te weinig. Hoe loopt het verhaal over deze relatie af; is er wel een afloop? De twee laatste gedichten van de bundel bieden enige uitkomst. In afsluiter ‘Psalm’ ‘verovert [een expeditie] het Paradijs, een expeditie/ verovert puin en rook.’ In het titelloze prozagedicht dat daaraan voorafgaat blijkt wat er mis is met het Paradijs. De verplichte harmonie is onnatuurlijk: ‘niets plant zich voort, niets hecht zich, nooit zal ik nog sidderen in dit dictatoriale licht.’ Er zijn immers geen hoogtepunten zonder dieptepunten. De beklemming van ‘Quitte’ heeft plaatsgemaakt voor veel weidsere gedichten, maar er is inmiddels zo ver uitgezoomd dat de camera helaas weinig aandacht meer heeft voor het stel waar de bundel mee begon.

    Meer mensen dan reddingsvesten laat Thies in goede vorm zien: hij doet niet gek veel anders dan in zijn vorige bundels (en vooral de vorige twee), maar het is allemaal donkerder geworden, en met meer gewicht. Thies’ beheerste stijl of buitenkant heeft een emotionele binnenkant gevonden. Beide versterken elkaar. Er blijft weliswaar een licht ‘wat als de huwelijksthematiek nu een hele bundel lang uitgewerkt zou zijn’-gevoel zeuren (althans bij mij), maar dat doet er verder niets aan af dat dit de beste Thies tot nu toe is.

    UitgeverPodium
    Jaartal2015
    RecensentMaarten Buser
    Editie2016-1