Recensies

  • Zing zing

    Peter Verhelst
    Zing zing

    Wanneer barst het zingen los?

    Zing zing heet de nieuwe bundel van Peter Verhelst en eerlijk gezegd verheugde ik me wel op een stevige, lyrische bundel van zijn hand. Hij is tot zo veel in staat. Zijn gedichten hebben vaak iets stroefs en soepels tegelijk, wat me bevalt, maar ik vroeg me bij eerdere bundels soms wel af wat er zou gebeuren als hij wat meer zou loslaten. Zou zingen, eigenlijk.

    Al snel blijkt dat Verhelst het zingen nauwelijks toelaat in deze bundel, maar zijn aandacht richt op een onbestemd verlangen. Hij begint met een beklimming van een berg (‘Uren waren we aan het klimmen’ heet het eerste gedicht) en schrijft: ‘Je vingertoppen op je gezicht en daarna in je ooghoeken/ om het vel vaster aan te drukken,// is dat jouw manier van denken?/ Wat een prachtige, stille plek.’

    Aanvankelijk zingt hij dus helemaal niet, hij begint buiten adem op de top van een berg en schrijft over vingertoppen – dat woord komt een paar keer terug. Wie weet is hij op de toppen van zijn kunnen. Wie weet kan het hierna alleen nog maar bergaf gaan. ‘Hoe moet het verder, denk je. In de vallei klopt ochtendmist/ zich boven de rivier op. Verlangen// in iets te verdwijnen/ wat er altijd zal zijn.’


    Het verlangen van de verteller zoekt wel een uitweg, vooral in zang, maar het zingen barst niet los. ‘Je ziet jezelf ’s ochtends met ontbloot bovenlijf voor het raam/ een hard ding doorslikken/ alsof je een hoge noot moet halen.’

    Verhelst schrijft hierover terwijl verleden en heden haast tegelijk plaatsvinden, alsof hij zich tussen twee spiegels bevindt en talloze versies van zichzelf en zijn omgeving ziet. In dit gedicht verandert het dekken van een tafel in de herinnering aan allemaal andere tafels en – denk ik dan – aan het dekken van vluchtige geliefden:

     

    Een vrouw gooit over een tafel een laken,
    
in die beweging gooien vorige lakens zich mee,
    van oud zilver het brokaten laken, van kristalglas
    het linnen, twee broze lichamen,

    het hijgen van warme
     
    marmeren schaduwen waarop we gaan liggen
    om niet nog een nacht alleen te zijn.

     

    Die vermenigvuldiging zie je steeds terug. Het is iets kleins, een beetje technisch haast, maar toch: de dichter gebruikt de jij-vorm niet alleen voor de geliefde in de gedichten, maar soms ook voor de verteller zelf, als een soort ik-vorm. Of hij spreekt van ‘wij’. Op zulke momenten is de verteller in zekere zin een paar personages tegelijk: polyfoon. Je vraagt je af wanneer ze een koor gaan vormen.

    Wanneer zal het zingen aanbreken? Je zou denken dat hij er niet omheen kan. En natuurlijk klinkt hier en daar ook wel gezang. Eerst is de taal van ijs, maar dan:

     

    Uit welk dieppaars vlees borrelt het op, dat zingen

    dat eerst sijpelt – je drukt er je hand op om het te stelpen –
    maar weldra met volle kracht brekend
    
in alle denkbare kleuren tussen je vingers door
    
op begint te spuiten?

     

    Dit sijpelen lezen we op pakweg een kwart van de bundel en nee, dan gaat het nog steeds niet zingen. Verhelst stelpt het. Zo gaat het steeds: soms begint het even te stromen en te zingen, maar dan laat Verhelst het nog niet toe. Hij vertelt stug door over verlangen, verleden, herinnering en lichaam. Tussen neus en lippen door leent hij wel eens iets, bijvoorbeeld van het sprookje van de zingende Rapunzel met haar lange haren: ‘Waren we haren geweest,/ we hadden onszelf in de lucht kunnen hijsen,/ zingen we bijna.// Waren we haren geweest,/ we hadden ons van ons hoofd kunnen knippen.’

    Eigenlijk klinken zulke regels wel degelijk als muziek. Tegen het einde staat: ‘We hadden een licht soort/ gezang moeten worden en dat werden we maar niet’, maar tegen die tijd krijg je de neiging om het met de dichter oneens te worden over zijn gedichten. Het zingt wél, je hoort het al bijna. Zelden zo het gevoel gekregen dat ik de gedichten wilde aanmoedigen. Ze zullen zich toch niet tot het einde blijven inhouden?

    Nee hoor, dat doen ze niet. Helemaal op het einde zingt de dichter toch. Alsof hij het niet langer kan helpen. Erbarme dich. Het theater is verlaten en de dichter zingt.

    Voor het eerst heb ik bij een dichtbundel het gevoel dat ik de plot niet mag verraden. Doorgaans heb je dat niet bij poëzie. Je kunt in een recensie citeren wat je uitkomt, het eerste of het laatste gedicht, als het maar enigszins een beeld van de bundel geeft. Maar de nieuwe bundel van Peter Verhelst houdt de spanning vast en mondt uit in een loutering. Een openbaring.

    Meer wil ik daar niet over zeggen, ik wil er niet eens uit citeren. Je moet het einde lezen na die andere gedichten. Het is heel spannend. De hele bundel is heel spannend.

    UitgeverPrometheus
    Jaartal2016
    RecensentBas Belleman
    Editie2016-1