Recensies

  • Dichter, bokser, koningsdochter

    Delphine Lecompte
    Dichter, bokser, koningsdochter

    Hemelse bagger van een zondares

    In Dichter, bokser, koningsdochter schrijft Delphine Lecompte: ‘Om een lang verhaal kort te maken: ik vind geen heilige wiens leven ik kan imiteren/ Moet ik dus een zondares blijven? Een heiden?’ De argeloze Lecompte-lezer die ik ben – dit is de eerste bundel die ik grondig las – beantwoordt die vraag met: niet allebei, want een zondares is iets anders dan een heiden. Een zondares kiest ervoor de wetten die haar worden opgelegd te overtreden, maar accepteert haar relatie tot die wetten wel. Een heiden ontkent hun relevantie juist, en leeft dus eigenlijk niet in overtreding.

    Een recensent zou kunnen zeggen dat Lecompte daarmee vergeet positie te kiezen, en dat haar gedichten daardoor scherpte missen. Daar lijkt genoeg aanleiding toe. Lecompte’s poëzie is een ware stortvloed van bizarre beelden, grillige verhaallijnen, maffe zinnen, duistere erotiek en soms haast cartoonesk geweld. Wat het allemaal te betekenen heeft is een vraag waarop ieder coherent antwoord bij voorbaat onmogelijk is. Niet dat je er niets zinnigs over zou kunnen zeggen, integendeel, ik bedoel dat alles wat je erover zegt altijd oneindig veel meer ongenoemd laat.

    Je staat, met andere woorden, met je mond vol tanden te lezen.

    Lecompte benoemt dat ook in de bundel. In ‘Bagger en buidel’ schrijft ze over een baggeraar die gedichten schrijft op een boorplatform. ‘De gedichten zijn bagger, de mijne ook’. Ze zijn dus ‘slecht’, in die zin dat ze niet voldoen aan de criteria die voor goede gedichten gelden. Daarmee stelt ze niet alleen de recensent, met zijn knapzak vol criteria, voor een voldongen feit, maar ook de lezer, voor wie de gedichten in principe onherkenbaar zijn, omdat ze vormloos als bagger direct uit een gat in de aarde worden opgepompt en de wereld in worden gekwakt.

    Dat heeft iets weg van een bevalling. Ook al omdat de waarde van wát er de wereld in wordt gekwakt, net als bij een mens, alleen op zichzelf terug te voeren is, onverantwoordbaar behalve vanuit het feit van het bestaan zelf. Deze baggerende creativiteit is bij Lecompte dan ook onherroepelijk vrouwelijk. In de bundel worden mannen alleen aan de hand van hun beroepen worden aangeduid. Hun creativiteit is functioneel, geeft ze van nature een rol in de samenleving, maar het betekent ook dat ze nooit méér dan die rol kunnen zijn. Die creativiteit is niet genoeg voor Lecompte, haar vrouwelijke hoofdpersoon staat altijd per definitie buiten die samenleving en verlangt naar de allerhoogste vorm van creativiteit: een kind krijgen.

    In ‘Ik vergeet altijd de kleur van je ogen’ maakt Lecompte dit contrast even subtiel als pijnlijk duidelijk. Hierin spreekt de vrouwelijke ik een mannelijke geliefde toe. ‘Je opent je ogen, ze zijn groen/ En ik zeg dat ze meisjesachtig mooi zijn’. Deze meisjesachtige schoonheid wordt tegenover de gemaakte schoonheid van de door mannen gemaakte kunst gesteld: ‘We zien een Hans Memling in het echt/ Je kijkt verslagen en moederloos.’

    Briljante regels. Ze stellen dat Hans Memling als mens nooit echter kan worden dan het ding dat hij maakt: ‘een’ Hans Memling. En ze drukken de teleurstelling van de jongen daarover – hij voelt dat het ook voor hem geldt – uit door aan ‘moedeloos’ een ‘r’ toe te voegen: ‘moederloos’. De mannelijke, beroepsmatige, sociaal geaccepteerde creatie is een moederloze creatie, inferieur aan wat vrouwelijkheid uit de aarde én uit het eigen lichaam kan oppompen. Dat noemen we ‘bagger’, want het mag geen sociale rol krijgen. Deed het dat wel, dan zou het de mannelijke sociale rollen onherroepelijk overvleugelen.

    In de film Suffragette legt een activiste voor vrouwenstemrecht aan een politieagent uit waarom ze huizen in brand steekt. Ze zegt: dat zijn geen wetsovertredingen, want ik heb geen rol gehad bij de totstandkoming van de wet. Ofwel: ik ben een heiden. De agent verwijt haar geen positie te kiezen. Hij realiseert zich niet dat zij hém juist uitnodigt dat te doen. Ze zegt eigenlijk: maak mij medeplichtig, maak mij een zondares. Zo ook is het niet de poëzie van Lecompte die het aan scherpte ontbreekt, maar zou ik die zelf ontberen als ik haar een dergelijk verwijt zou toebedelen. Ik zou de uitnodiging die Lecompte mij in deze poëzie overhandigt over het hoofd zien. En dat zou deze bundel onrecht doen. Op deze recalcitrante, krankzinnige, gedurfde, virtuoze, duistere, geestige, feministische, zondige poëzie past maar één antwoord: ja.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2015
    RecensentJoost Baars
    Editie2016-1