Recensies

  • Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden

    Tsead Bruinja
    Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden

    In de zomerzon

    Geëngageerde poëzie – het is een lastig begrip. Zijn gedichten geëngageerd als ze sociaal-maatschappelijke of ecologische kwesties aankaarten? Of pas als ze oproepen tot bezinning en verzet? Of is alle poëzie uiteindelijk in zichzelf al een daad van engagement, omdat ze in deze op efficiëntie en output gerichte economische samenleving een antipool is?

    Een échte poëzienerd zou gedichten ook kunnen zien als het summum van efficiëntie en output: het is een product (output), dat veelal in kort bestek zeer gestileerd een veelvoud van betekenissen, beelden en vormen voor het voetlicht plaatst, wat niet zelden een haarscherpe weergave is van een ervaring (efficiëntie). Maar dat terzijde.

    Nou ja, grofweg: poëzie kun je in brede zin een geëngageerde daad van verzet noemen vanwege haar uniciteit in de massacultuur, en in engere zin bekommert geëngageerde poëzie zich om de kwetsbaren van de wereld. In beide opzichten kan Tsead Bruinja in Binnenwereld buitenwijk, naatuurlijke omstandigheden als een geëngageerd dichter gelezen worden. De politiek, de al maar sterker wordende veiligheidsstaat, het dreigende verlies van vrijheid en onze houding ten opzichte van vreemdelingen komen ter sprake.


    Neem het gedicht ‘Western Union’, dat het contrast tussen burgers en illegalen pijnlijk invoelbaar maakt. Het opent met bootvluchtelingen van een brede achtergrond (er zitten ‘koks zangers vissers timmerlui/ dokters en wetenschappers’ tussen) die naar Europa reizen om daar de banen aan te nemen waar wijzelf liever van afzien. Het werk dat deze rechteloze groep doet is ‘als ze uitglijden over een gladde vloer’ onverzekerd. ‘[Terwijl] u een pensioen opbouwt,’ schrijft Bruinja, ‘loopt een van hen langs een muziekwinkel/ en neuriet keurig ingeburgerd’ een maar al te alledaags liedje, dat niet bepaald het toonbeeld is van pure poëzie, maar dat ik omwille van die ongemakkelijke alledaagsheid, toch maar citeer:

     

    Is het lang geleden is het lang geleden
    dat mijn hartje riep
     
    met zijn ding dinge dong
     
    is het lang geleden is het lang geleden
    in de zomerzon ging het
     
    BIM BAM BOM

     

    Waarop de man geld stuurt ‘naar een nichtje/ dat haar vader in brand zag staan’. Zij zijn als wij, lijkt het gedicht te zeggen. Het gedicht brengt van deze groep zijn negatieve labels terug naar het menselijke. Het toont de onpersoonlijke ander als iemand zoals jij en ik.

    In deze gespannen tijd, waarin de economische crisis nog merkbaar en de dreiging van aanslagen voelbaar is, waarin de politiek naar rechts neigt, de geloofssystemen te versnipperd zijn om een eenduidig antwoord te geven op de vragen die ons gesteld worden en ook het humanisme te polyfoon is om richting te geven, is het wellicht ook aan de dichters om mythen te herscheppen of nieuwe uit de oude te creëren.

    Ook daarvoor schrikt Bruinja niet terug. Zijn gedichten bevatten vaak bijzondere universele trekjes, waarin men de taal van vogels lijkt te kunnen verstaan of zich buigt over Nietzsches ‘Bejahung des Lebens’. ‘Fukushima’, dat overigens ook niet wars is van engagement, roept associaties op met de werelden die Italo Calvino oproept met zijn Cosmo- komische verhalen:

     

    de aarde is een tas om de schouders van de maan
    de aarde is een tas met slappe hengsels
    uitgerekte hengsels

    want de zon is zo zwaar

     

    Het is een metagedicht, het beschouwt zichzelf terwijl het ‘geschreven’ wordt: ‘ik werd verliefd op de eerste regel haar a’s lonkten/ haar beelden schreeuwden om vervolg’. In de televisie waarop de ramp wordt gevolgd, verdwijnt de beeldspraak in een tunnel, waardoor de dichter zich afvraagt of hij iets moet met de associatie van de lekkende kerncentrale. En dan:

     

    ermee onder de armen naar een radioactief strand
    waar oude mannen op klapstoeltjes

    tevreden in hun emmers kijken
    
naar vissen die veel groter worden?
     
    of zwemt in datzelfde water de aarde?
     
    was het niet een tas
    maar een emmer?

     

    Alles draagt het andere in dit gedicht: de maan de aarde, de zon die zo zwaar is en aan de aarde lijkt te hangen, en het water de aarde. Maar geruststellend is het niet: de ramp voltrekt zich, niets kan voorkomen dat het teniet gedaan wordt. Het is geen vrolijk stemmend universum, maar wel een waarin alles met alles samenhangt, waarin als iets kapot gaat, het grotere geheel op het spel komt te staan.

    Wie ooit had gedacht dat dichters narcistische pennenlikkers zijn, die in stoffige zoldertjes en schemerachtige souterrains literaire onanie bedrijven, wordt met Binnenwereld buitenwijk in het ongelijk gesteld. We hebben soms fictie nodig om de werkelijkheid te zien.

    UitgeverCossee
    Jaartal2015
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2016-1