Recensies

  • Onder normale omstandigheden

    Frank Keizer
    Onder normale omstandigheden

    Zingen zonder tong

    De ik-verteller in ‘mijn eigen problemen’, de openingsreeks van Onder normale omstandigheden, de officiële debuutbundel van Frank Keizer, schrijft: ‘de relatie tussen mijzelf en het politieke/ is ingewikkeld’. Vanuit het besluit deze relatie niet langer te negeren, zoekt de ik-verteller naar een manier om uit zijn eigen individualiteit te breken. Onder normale omstandigheden brengt verslag uit van die persoonlijke zoektocht, die allerminst individualistisch is. Zij is noodzakelijk sociaal, want ‘mijn eigen problemen zijn ook de problemen van anderen’.

    Aanvankelijk was de ik-verteller ‘invulbaar’. Zijn identiteit werd bepaald door de instituties die hem omringen: het podium waarop hij staat, maakt hem tot ‘politiek dichter’, de universiteit waarin hij zich beweegt tot ‘academicus’. Ook het klimaat waarin hij opgroeit, determineert hem: ‘in de crisisjaren ben ik volwassen geworden/ dus is mijn poëzie een poëzie/ van de crisis’. Die invulbaarheid duurt tot het moment waarop de ik-verteller raakt ‘losgeweekt’ en uiteen spat in een ‘rommelige hoop particuliere eigenschappen’. De titel van de tweede reeks in de bundel lijkt een opsomming van die eigenschappen: ‘inactiviteit, doelmatigheid, verstrengeling, verveling, lelijkheid, normativiteit, alledaagsheid, naaktheid, versletenheid, atomisering, tijd, eenzaamheid’. De opsomming weerspiegelt de gespletenheid die de ik-verteller ervaart en die zich misschien wel het duidelijkst manifesteert op fysiek niveau. Zo luidt het antwoord op de vraag ‘waar is mijn lichaam?’: ‘het is thuis/ en in de markt/ het is alleen en het is samen/ met Lisanne’. Het lichaam blijkt uiterst problematisch. Hoewel de verteller een grote afkeer heeft voor ‘de meerderheid’, weet hij (man, blank, hetero, westers) dat hij de meerderheid onvermijdelijk representeert.

    Het losbreken uit de eigen individualiteit blijkt een onmogelijke opdracht. Het is onmogelijk buiten het kader van het kapitalisme, buiten onze rol als consument, te denken. Deze inkapseling wordt onderstreept door het zakelijke taalgebruik. Termen als institutie, kapitaal, economie, bureaucratie, kantoor doorspekken het persoonlijke relaas. In dit licht krijgen ook de gedetailleerde verwijzingen naar Keizers eigen leven iets dubbelzinnigs. Enerzijds zijn zij uiterst persoonlijk, we lezen over zijn studie (Nederlands), zijn vriendin (Lisanne), vrienden (Maarten en Matthijs, Jeroen en Marieke), de plaats waar hij woont (Amsterdam-Noord). Anderzijds zijn het niet meer dan feitelijke coördinatiepunten. Het roept de vraag op: hoe persoonlijk zijn de verwijzingen naar het ‘echte’ leven in een wereld waarin alles openbaar is?

    Een zekere nostalgie naar een tijd waarin het kapitalisme nog niet alles infiltrerend was, is de ik-verteller niet vreemd. Die nostalgie komt het sterkst naar voren in het tweedelige gedicht ‘de lange eenentwintigste eeuw’. Het eerste deel is een liefdeslied voor Herman Gorter, de Tachtigers-dichter die een opmerkelijke omslag maakte van een hoogsensitieve poëzie naar een socialistische poëzie. Gorter geeft Keizer de ruimte wat lyrischer te zijn, en humoristischer:

     

    soms stel ik me voor hoe wij

    zij aan zij

    aan de Noord-Hollandse kust staan
    en jij kristal laat rijmen op heelal
    en ik een beetje moet giechelen

     

    De vergelijking met het verleden, maakt hier echter ook pijnlijk duidelijk dat de taal van Gorter inmiddels krachteloos is geworden. De overweldigende woorden van Gorter klinken in de mond van de dichter ‘dom en onbeholpen’, iedereen denkt ‘dat ik een grapje maak’.

    Het is vanaf het begin duidelijk dat de inzet van deze bundel hoog is en dat het om alles behalve een grapje gaat. Maar het verzet van de verteller blijkt een onmogelijk verzet. Gevoelens van somberheid en onmacht (‘Wel heel helder zien, zonder tong’) nemen dan ook de overhand in ‘nachtpolitiek’, de laatste reeks van de bundel, waarin de realiteit zich weer koel en koud aandient. We zitten met de dichter in ‘een kleine tuin, met omvergewaaide planten’ op een bankje ‘dat van de staat is’. Het is moeilijk hierin niet een metafoor voor de huidige maatschappelijke positie van poëzie te lezen. Desondanks probeert de dichter het toch: denken tegen het systeem, onvermijdelijk vanuit het systeem. De onmiskenbaar eigen wijze waarop Keizer dit onmogelijk verzet vormgeeft, maakt Onder normale omstandigheden tot een indrukwekkende en tegelijk uiterst beklemmende bundel.

    UitgeverPolis
    Jaartal2016
    RecensentMarieke Winkler
    Editie2016-2