Recensies

  • Laaglandse remedies

    Peter van Lier
    Laaglandse remedies

    Vanuit de hoogte bezien glinstert alles

    Het werk van Peter van Lier heeft sinds zijn debuut, in 1995, iets eigenzinnigs en ongrijpbaars en is ook verder zeer consistent gebleken. Van Lier werkt bijvoorbeeld vanaf het prilste begin veel met wit, wat zijn werk, à la Paul van Ostaijen, een zekere dynamiek geeft: je krijgt als lezer letterlijk de ruimte. Veel van zijn gedichten bestaan overigens maar uit één enkele zin, die met pauzes en sprongetjes over de pagina is gedrapeerd. Van Lier is daarnaast een veelgebruiker van interpunctie, met name haakjes, wat dan weer semantische dynamiek oplevert: de dichter relativeert het gesprokene, brengt nuances aan of stelt er vragen over. De wereld laat zich niet vangen in een zelfverzekerde, voortjakkerende volzin, zo suggereert dit werk.

    Van Liers eerste bundels,Miniem gebaar en Gegroet o... werden door critici enigszins verwonderd bekeken: al die lieflijke tafereeltjes, al die kevertjes en vlinders, moeders die een kus op een babyhoofdje drukken, en dan ook nog regelmatig vergezeld door kwalificaties als ‘mooi’ of ‘zo mooi’: hoezo deze gelukzaligheid? Ging het hier om een blije naïeveling? Daar moest haast wel ironie achter zitten. Of toch niet?

    Door de jaren heen is de ‘zoetheid’ wel minder geworden. Wat ook is veranderd, is de setting. Werden er aanvankelijk vooral taferelen in een veilig, afgebakend stukje werkelijkheid beschreven – een bos, een tuin, een straat in een overzichtelijke woonwijk – in de nieuwste bundel is het straatrumoer zijn poëzie binnengedrongen. Zo is daar bijvoorbeeld de luidruchtige openingsreeks ‘Allemaal aanbiedingen’, met gedichttitels als ‘Eurootje de kilóóóó’, ‘Effe iets leuks’. Er is sprake van een sokkenkeizer en ‘een gillerig “Echt leer!”’. ‘Tandpasta wordt op kniehoogte aangeboden, panty’s steken fier boven de hoofden uit,’ noteert de dichter.

    Voor iemand die een bundel als Links, rechts (2001) schreef, waarin in 200 pagina’s verslag wordt gedaan van twee wandelingen, begeeft Van Lier zich met zijn nieuwe bundel dus behoorlijk ver van de natuur. De bundel bestaat uit zes reeksen met uiteenlopende en originele onderwerpen: marktleven, polders, mussen, teksten gebaseerd op brieven van Van Gogh. Eén gedicht is getiteld ‘Rijdend in de avondspits stel ik mij voor’, en de reeks waar de bundel zijn titel aan dankt, ‘Laaglandse remedies’, is in haar geheel gewijd aan de aanleg van de Afsluitdijk en de polders in het IJsselmeer.

    Maar de ongrijpbaarheid die Van Liers werk kenmerkt, is gebleven. Ook in de nieuwste bundel sta je als lezer voor het raadsel: hoe moet ik deze glasheldere, beschrijvende poëzie opvatten? Schrijft de dichter een loflied op onze unieke Nederlandse polders, en op de bedrijvigheid en de charme van de markt, of zijn deze teksten juist bedoeld als maatschappijkritiek? De onbevangen blik waarmee de dichter kijkt brengt de lezer nog steeds in verwarring. Gaat een regel als

     

    Een gillerig ‘Echt leer!’
                                              verleidt vooralsnog niemand

     

    over de smakeloze – en klaarblijkelijk falende (net goed!) – verleiding van reclame? Of beoogt de dichter slechts de veelkleurigheid van taal en spullen op een markt te beschrijven?

    In een regel als ‘volgens een late klant is inktvis "dode kledder’’'meen je algauw een onderliggend oordeel te horen: hoe respectloos en afgestompt! Leve de natuur, met haar de levende, échte dieren! Maar je krijgt daar, net als in eerdere ‘idyllische’ bundels, geen uitsluitsel over. Hetzelfde geldt voor de reeks over de inpoldering. De gedichten in die reeks reppen van een ‘conceptdenker’, een ‘beheerplan nat, beheerplan droog’ en oplossingen die ‘achter een bureau’ worden bedacht. En kan een passage als deze:

    natuur, waarvan

    dit beheergebied best wat meer zou kunnen gebruiken:
    een
     
    eerste broedpaar is gelukkig al gesignaleerd
    op de achtste verdieping.

     

    anders gelezen worden dan als kritiek op de kunstmatigheid van de natuur in Nederland? Of is het juist mooi dat vogels zich niet laten ontmoedigen, en het feit dat ze op acht hoog gaan broeden juist een compliment? Of is het allebei? Of niets? Gewoon een beschrijving zónder oordeel?

    Die unieke, ongrijpbare ‘toon’ van Van Lier, die uitersten van ironie en gelukzaligheid in zich verenigt, én het vermoeden van iets daartussenin, roept een beeld op van iemand die verrast ontwaakt in een hem onbekende wereld, en deze met een open geest verwelkomt. Als je een dergelijk ontwaken figuurlijk opvat, zou het hier kunnen gaan om een filosofische of misschien zelfs religieuze houding, een staat van verlichting. Die, in al haar verhevenheid, feitelijk weer niet veel verschilt met de verwondering over het alledaagse (zoals ook doorklinkt in de titel van zijn debuutbundel: Miniem gebaar). Ik denk dat dat is waar Van Liers werk over gaat, zoals de prachtzin ‘vanuit de hoogte bezien glinstert alles’ volmaakt weergeeft: als je erin slaagt de wereld met enige afstand, onthechting, te bekijken, dan pas kun je de schoonheid echt zien.

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2016
    RecensentKiki Coumans
    Editie2016-2