Recensies

  • Bananenrepubliek

    Bart Chabot
    Bananenrepubliek

    Bard Chabot

    Bart Chabot oefent naast het dichterschap het voor een dichter redelijk ongebruikelijke baantje van BN- er uit. Dat wordt hem in de poëzie niet in dank afgenomen als ik me niet vergis, dichters moeten buiten beeld blijven en in eenzaamheid hun werk doen, luidt het cliché. Het gevolg is dat hij in zijn oorspronkelijke ‘roeping’, het dichterschap, niet altijd serieus meer wordt genomen. Jammer is dat, want al is niet alles wat uit zijn handen komt goud, er valt toch best van zijn werk te genieten. Het is ultieme parlando-poëzie (niet verwonderlijk voor zo’n echte performer), het heeft die (sinds Gerard Reve) typisch Nederlandse mix van gewoon en verheven, hoog en laag, en het is vaak geestig-melancholisch.

    De bananenrepubliek waarnaar zijn laatste bundel is vernoemd, betreft geloof ik vooral het leven door de bril van Chabot: ongeordend, licht absurd en met in dit geval een flinke dosis melancholie. Het is inmiddels meer dan zes jaar geleden sinds Chabots laatste poëziebundel verscheen, in de tussentijd kreeg de dichter een tumor en werd hij geattendeerd op de ‘diepere lagen’ (titel van een prozawerk) van het bestaan. In Bananenrepubliek tref je daar overduidelijk de sporen van aan. Als je er gewichtig over wilt doen, zou je zelfs kunnen zeggen dat het over dood, verlies en onthechting gaat. Maar Chabot zou zichzelf niet zijn als het niet overgoten was met flinke distantie. Toch is dit misschien wel zijn donkerste bundel, vol beklemmende beelden, ook niet geabstraheerd of gesublimeerd, gewoon wat je in nachtmerries ziet:

     

    Toen keek ik om;

    van achter de duinenrij kwamen
    gestalten tevoorschijn
    
die grijs en stil tussen de heuvels gingen
     
    sommigen werden gaandeweg soepeler
    van leden, alle knokigheid

    was hun vreemd
     
    en hun huid verjongde
    sommigen hielden vel over

    en leken vanbinnen boterzacht

     

    De gedichten in Bananenrepubliek, tien stuks, zijn allemaal aan de lange kant, je proeft dat ze geschreven zijn om uitgesproken te worden, een soort litanieën, zoals ‘Snelbinder’, misschien wel de langste readymade uit de Nederlandse poëzie, bestaande uit het verhaal van een taxichauffeur die zijn klant vertelt over een jongeman die niet wil deugen, waarover hij zich heeft ontfermd en die tenslotte zelfmoord pleegt: ‘ík zag hem voor mijn ogen wegzinken,/ timothy/ ik hield van dat jong/ maar kon niks uitrichten om zijn terugval/ te stoppen.’ Hier doet Chabot me enigszins denken aan Armando met zijn opgetekende gespreksflarden.

    Als je alleen op Chabots titels afgaat, ‘Snelbinder’ dus, ‘Fingerfood’, ‘Buffalo Bones’, ‘Shoebaloo’, verwacht je tamelijk lichte kost voorgezet te krijgen uit de wereld van nu, ook de vrolijk-fallische banaanraket op het omslag belooft opgewekte dynamiek, maar het blijkt bij nader inzien allemaal een stuk zwaarmoediger dan gedacht. Misschien is blues wel het beste woord voor deze poëzie, de blues van een ouder wordende man met allerlei verhalen in zijn hoofd.

    Verfijning, technische hoogstandjes, ellipsen, abstrahering moet je van deze gedichten niet verwachten, het is in zekere zin naturel wat Chabot te bieden heeft, de eendimensionale zangen van een hedendaagse bard, voor iedereen toegankelijk. De slotregels van het laatste gedicht, over een bezoek aan zee, zijn wat dat betreft karakteristiek:

     

    kort daarop ging ik naar huis

    want de lucht betrok
    
het begon kouder te worden, kil zelfs
    en de zee en ik,

    we hadden elkaar
    
weinig meer te vertellen

     

    Poëzie die als een nachtkaars uitgaat, niet uit armoede, maar als een soort statement: wat stelt het leven nu helemaal voor?

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2016
    RecensentRob Schouten
    Editie2016-2