Recensies

  • Koelkastlicht

    Rodaan Al Galidi
    Koelkastlicht

    De mensheid is een verdrietige soort

    De verteller in Koelkastlicht, de nieuwe bundel van Rodaan Al Galidi, is desperaat. ‘Trillend geef ik mij over aan de wanhoop’, ‘Ik onderga deze pijn niet omdat ik besta,/ maar/ omdat ik/ bestaan moet’, om maar eens wat kreten te noemen van de ‘ik’ die gevangen is in de kou van de koelkast in het openingsgedicht.

    De bundel bestaat uit drie delen: ‘In de koelkast’, ‘In het universum’ en ‘Losse gedichten die de verkoop van Koelkastlicht mede mogelijk moeten maken’. Daarnaast is een ongebruikelijk nawoord opgenomen waarin de dichter uitlegt in welk licht we de bundel moeten lezen.

    Al Galidi schuwt de grote emoties niet. Dat is geen nieuw fenomeen, in zijn vorige bundel ‘Liever niet,’ antwoordt de liefde, die in 2013 bij de reeds opgeheven tak van De Bezige Bij in Antwerpen verscheen, worden geliefden en de liefde in al hun hevigheid bezongen aan de hand van een keur aan bloemen. InKoelkastlicht, uitgegeven door Jurgen Maas, is de stemming overwegend mineur.

    Het is vaak beter om de Grote Emoties in de poëzie te vermijden, wil je niet direct beticht worden van puberaal, romantisch gekweel. Het aanzicht van zoveel pijn, (zelf)(mede)lijden en duisternis zou wel eens een tegenovergesteld effect kunnen hebben en eerder op de lachspieren kunnen werken dan het zo gewenste mededogen of een gevoel van herkenning teweeg te brengen.

    Al Galidi balanceert op het randje van kitsch. In zijn queeste naar de zin van het bestaan te midden van al dat leed, schiet hij wel eens uit: ‘(...)Omdat alleen de pijn/ de tijd kan overtuigen/ langer te blijven, tril ik van angst/ bij het woord eeuwigheid.(...)’ ‘Pijn’, ‘angst’ en ‘eeuwigheid’ in één zin samenbrengen getuigt van veel gevoel voor drama en is wat overdadig. Het zijn onmiskenbaar de Arabische invloeden die maken dat je bereid bent veel van deze pathos voor lief te nemen. Het hoort erbij, net zoals zijn beeldspraak, waar hij ook scheutig mee omgaat, maar het maakt de bundel niet altijd even behapbaar. In sommige gedichten wordt beeld op beeld gestapeld:

     

    De tijd om te gaan en ik
    ben te laat. Mijn ziel
    heeft het zeil al gehesen
    en wacht
    tot mijn lichaam de wind is.
    Maar ik durf hen

    die mij vanbinnen opeten
    niet
    te doden.
     
    Hopeloos, bekneld,

    zoals een harde herfst een dromende boom beveelt
    om zijn tijd te wurgen en naakt
    
in de kou te staan.
    
Ik heb de eeuwigheid,

    zoals een schip een gat.

    (...)

     

    Dit kluwen van metaforen doet de lezer duizelen: van de ziel als het zeil van een zeilschip en een lichaam als de wind (die het schip doet varen) tot een harde herfst die een dromende boom beveelt zijn tijd te wurgen door al zijn blad te laten vallen. Hoe is de ik in dezen, ‘hopeloos’ en bekneld zoals een ‘harde herfst’ en tussen wat wordt hij (de herfst) bekneld? En wat wordt bedoeld met ‘Ik heb de eeuwigheid,/ zoals een schip een gat’? De (ongelovige) mens heeft geen eeuwig leven, maar een schip heeft wel een gat, of zelfs meerderde gaten, zo blijkt, als ik het nautisch woordenboek erop nasla. De stapeling van complexe beelden, maakt het gedicht erg ingewikkeld, bovendien krijgt geen enkel beeld hierdoor de gelegenheid om te schitteren en om het gedicht te dragen. Dat is zonde, want de bundel bevat ook heel heldere en volmaakte beelden, zoals: ‘Alleen de mensheid kan een bos/ of een zee verliezen./ De vogel en de vis/ slechts// een tak of een golf.’ Net zoals in klassieke, Arabische treurdichten worden abstracten, zoals ‘de tijd’ en ‘het leven’, gepersonifieerd:

    ’s Ochtends zie ik het leven

    naast mijn bed.
Ik verwelkom haar.

    Ze zegt: ik ben geen bezoeker.
    
Ik denk: in welke tijd praat ik met haar?
    Ik sta op, zij staat op.
    Ik loop, zij loopt.

    Wil ze uitgelaten worden? Ze zegt: ik ben geen hond.
    Niet om over mezelf te vertellen ben ik bij jou,

    maar om geleefd te worden.

    (...)

     

    Waar de ‘ik’ in het eerste deel vooral zijn eigen verhouding ten opzichte van het bestaan probeert te duiden, plaatst hij in het tweede deel ‘In het universum’ de mensheid tegenover het bestaan. De mensheid is maar een verdrietige soort en op God hoeven we ook al niet te rekenen. Nuchter concludeert de verteller: ‘(...) Zo is de mensheid./ Ze heeft nodig wat niet bestaat/ om dat wat bestaat/ draaglijk te maken.’

    Nadat het lijden van de ‘ik’ en de hele mensheid is gepasseerd, is er ook ruimte voor ontlading: de losse gedichten bevatten regelmatig ironie en humor, zoals ‘Drie behoorlijk negatieve gedichten over Emmeloord’ (het welkomstbord: Welkom op de bodem) en ‘Literatuurlessen op de basisschool’ (‘Dante is een dichter/ geen pizzabezorger’). ‘Nu ben ik bij de hoop aangekomen’ luidt de laatste zin van de bundel. We hielden het bijna niet meer voor mogelijk.

    UitgeverJurgen Maas
    Jaartal2016
    RecensentDieuwertje Mertens
    Editie2016-2