Recensies

  • E-groot is rood

    Henk Ester
    E-groot is rood

    Bestaan, verstaan en alles daartussen

    Henk Esters E-groot is rood is een duidelijk vervolg op zijn debuut Bijgeluiden, waarvoor hij in 2013 de C. Buddingh’-Prijs kreeg. De ondertitel van de tweede bundel luidt ‘Bijgeluiden xx t/m xxxii’ en de dichter geeft ons ook hier reeksen ‘bijgeluiden’ van telkens ongeveer vijf gedichten. De structuur van de bundel kunnen we, via de titel van de bundel, in verband brengen met de moderne muziek. Die titel verwijst immers naar een uitspraak van de componist Olivier Messiaen, een van de grote figuren van het naoorlogse serialisme. Het serialisme verzet zich tegen een klassieke, gesloten manier van componeren en zoekt in de breedst mogelijke zin andere verbanden op, buiten de geijkte kaders. Dat leidde tot nieuwe muzikale structuren en tot nieuwe verbanden tussen muziek en wereld (denk bijvoorbeeld aan John Cages stuk 4’33’’ waarbij het rumoer in de concertzaal muziek wordt). In de lijn van het muzikale serialisme beoefent de dichter een poëtisch serialisme door het klassieke raamwerk van de lyriek te herconfigureren. Zijn bijgeluiden zijn niet in één bundel te vatten; als serie ontsnappen ze aan de structuur van een boek. Als ‘bijgeluiden’ presenteren de gedichten zich bovendien niet als autonome objecten, maar als een moeilijk te duiden geluid in de marge dat zich niet laat rangschikken volgens de voor de hand liggende lyrische thema’s. Wat hier klinkt, is een echo van de wereld in je hoofd, en omgekeerd.

    E-groot is rood is dus geen bundel ‘over’ de zoektocht naar een ik, de liefde of de rust na trauma. De bijgeluiden kan je lezen als een aaneenschakeling van ontsnappingspogingen, waarbij niet zozeer gevlucht wordt maar geprobeerd wordt om een zone of beweging te creëren tussen twee plaatsen of dynamieken in. In ‘Zelfportret’ bijvoorbeeld gaat er iemand ‘[v]an het raam afstaan’ in plaats van voor een spiegel plaats te nemen, en wordt de grens tussen buiten en binnen opgezocht (‘In kwaadheid van luistergroen/ kruipt de buitenkleur van zwijgen.’). Ook in de titel zit een dergelijke beweging ingebakken. E- groot is rood verwijst naar Messiaens synesthesie: de Franse componist zag kleuren bij muziek. ‘Maar ik zie ze niet met mijn ogen,’ legde hij ooit uit aan een criticus, ‘ik zie ze in mijn brein.’ Bij Messiaen leidde dat niet tot louter cerebrale muziek (neem zijn ronkende en bonkende Turangalîla-symfonie). Ester zoekt zijn nieuwe verbanden doorgaans veel ingetogener op. Zelfs in de cluster ‘Roepen’, waarin het gedicht ‘Driftige taal’ met drift en vuur het supercontinent Pangea aanroept, verdwalen we uiteindelijk ‘in het kielzog van de geest’. Ester is op zijn sterkst als hij zijn geest kan laten meanderen. In E-groot is rood neemt hij zijn lezers mee naar het tussengebied dat zich ergens op de grens van het denken en de dingen, en van het verstaan en het geruis bevindt.

    De wereld in E-groot is rood is er een waar dingen niet op zichzelf bestaan. Het gedicht ‘De Denker’, bijvoorbeeld, neemt de critici van Rodins beroemde beeld subtiel op de korrel. ‘[e]en denker zit niet zo te denken, te veel in gedachten,/ in zichzelf, vervreemd, te weinig ruimte’, menen zij. ‘Maar over welk beeld spreken zij?’, vraagt Ester. Waarom dat beeld als ding isoleren van de ruimte die het omgeeft? ‘De Denker’ begint bij Ester ‘als dichter – in het wit./ in de marge van Baudelaire’. Omdat in die marge nieuwe verbanden kunnen ontstaan, moet de confrontatie worden aangegaan met de leegte. De verwijzing naar Baudelaire benadrukt de rol van de poëzie in dat proces. Baudelaire, de dichter van de moderniteit die zich als geen ander bewust was van de afwezigheid van samenhang, zette zijn poëzie in om melancholisch volle ervaringen na te jagen (en dus nooit helemaal te vinden, want dat is de essentie van de melancholie). Poëtisch denken is in E-groot is rood een manier om contact te maken met de wereld zonder ooit ergens helemaal te landen; Ester nodigt je uit om de woorden in zijn poëzie te

    zien als ‘lijnen wasgoed [...] boven/ schaduwrijke stegen’. De laatste cluster bijgeluiden heeft als titel ‘Van’ en vat daarmee de dynamiek van de bundel als geheel. Het voorzetsel ‘van’ kan immers op een eigenschap of bezit duiden, maar het kan ook afstand impliceren. Bij Ester doet het dat allebei, met de taal nadrukkelijk als instrument van zowel toenadering als verwijdering:

     

    Van spindraad heeft hij een hoed gemaakt

    en van zijn hoed een vlieg om de verte
    dichterbij te halen Van de verte heeft hij

    een woord gemaakt een taal om op afstand
    haar tekort te tonen Van één haar heeft hij
    bijna niets gemaakt en van bijna niets de stilte
    van een toren Van alles heeft hij vier procent
    gemaakt om in het donker hogerop te komen.

     

    De ruis die Esters werk opzoekt moet het niet hebben van bombast, hij hoort hem niet met zijn oren maar met zijn brein. E-groot is rood is een slim gecomponeerde dichtbundel die je kunt gebruiken om van de waan te herstellen dat je het wel doorhebt, het bestaan en het verstaan en alles daartussen.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2016
    RecensentSarah Posman
    Editie2016-2