Recensies

  • Regentonvariaties

    Jan Wagner
    Regentonvariaties

    Opgevouwen parachutes 

    Regentonvariaties van de Duitse dichter Jan Wagner (1977) is een bundel om traag te lezen. Niet omdat een hoge mate van complexiteit dit afdwingt: de klankrijke gedichten zijn helder en toegankelijk geschreven. Ze gaan veelal over alledaagse dingen, die eerder van rurale dan urbane aard zijn. Mogelijk bracht deze combinatie mij een zekere rust. Nu wil ik niet zeggen dat je in plaats van valium ook best deze bundel tot je zou kunnen nemen, want in chemisch opzicht zet Regentonvariaties weinig zoden aan de dijk. Natuurlyriek blijft uiteindelijk vrij tandeloos.

    Voor wie op alle slakken zout legt, voldoet Wagners werk bovendien aan een stereotyp idee van poëzie: de natuurlyriek, romantisch getinte gedichten die soms enkel en alleen over schilderijen lijken te gaan, die Bijbelse en historische thema’s hebben, en waarin woorden voorkomen als ‘zilverdistels’ en ‘noorderhemel’. Alleen het eindrijm (dat in de overigens bijzonder knappe vertaling bewust is weggelaten) ontbreekt er nog aan. Daarmee ligt het gevaar op de loer dat ze kitscherig overkomen, zoals het bijzonder knap geschilderde, maar zeer typisch vervaardigde ouderwetse potwerk met fruit van Henk Helmantel dat doet.

    Gelukkig is Wagner geen Helmantel, hij schrijft geen oude stukken na. Moet je bovendien zijn gedichten, die tot het subgenre van de natuurlyriek behoren, afschrijven omdat ze mooi binnen dit subgenre passen? Nee, en met Wagners romantiek valt het daarnaast ook wel mee, hij zwelgt er niet in. Zijn interesse in historische onderwerpen is ontegenzeggelijk, maar van clichés voortvloeiend uit historiezucht blijft de lezer gevrijwaard.

    Als je Wagner, door de Süddeutsche Zeitung de beste dichte dichter van zijn generatie genoemd, dan toch met iemand moet vergelijken, zou je eerder de meesterverbeelder Tomas Tranströmer kunnen aandragen dan überromanticus Friedrich Hölderin vanwege de prachtige, meestal zeer treffend geplaatste beeldspraak. Misschien is het een van mijn favoriete beeldspraken van Tranströmer: ‘Ontwaken is een parachutesprong uit de droom’, die deze associatie in gang zet. In ‘Lakens’ vindt een jongen een jaar nadat zijn grootvader gebalsemd in een laken werd uitgedragen, hem terug in de gedaante van een tot wesp verschrompelde, ‘minuscule/ farao van een lang voorbije zomer’. Hij ligt geconserveerd tussen de lakens in de kast, die daar zorgvuldig opgetast zijn, ‘opgevouwen als parachutes/ voor een sprong van onvermoede hoogte’.

    Zoals ook in het boeiende nawoord van vertaalster Ria van Hengel naar voren komt, gaat een gedicht van Wagner zelden over één ding alleen. ‘Lakens’, met zijn opgevouwen lakens in de kast met de ‘blaadjes lavendel of weidebloemen/ een muntje of zo nu en dan een worp/ van mottenballen’, gaat niet alleen over de lakens in de kast en de dood en de afwezigheid van de grootvader, maar ook over de vergankelijkheid van de achterblijvers, misschien die van de dichter zelf in het bijzonder.

    De gedichten geven blijk van een warme blik op de dingen op de wereld. Een grottenolm, een uitsluitend in grotten levende hagedis, is ‘nauwelijks reëler dan de eenhoorn’, wiens kunst het is vergeten te worden en die daardoor overleeft. Het dier is ‘pauselijk wit’ en leeft ‘met niets minder dan de klok/ van druipend water en is blind als homerus’. Over muggen, die ‘povere muzen’, schrijft Wagner: ‘ze dansen,/ dunner dan met potlood getekend/ hun pootjes; piepkleine sfinxenlijven’.

    De natuur doordesemt vrijwel al Wagners poëzie, ook al is het niet altijd het onderwerp van zijn gedichten. Dat gebeurt wanneer, naar ik aanneem, Wagner terugblikt op zijn jeugd, op een jachtpartij bijvoorbeeld en een val in een droogstaande put waarin hij een dag later gevonden wordt. Ook kruipt zij waar zij niet kruipen kan, in de beschouwing van kunstwerken, zoals die van Pieter Codde’s ‘Portret van een man met een horloge’. Het eerste deel van dat gedicht laat dat gelijk heel mooi zien:

     

    ik houd hem amper vast:

    alsof het op mijn vingertoppen
    neergestreken is louter om even

    te zitten, uit te rusten als een vlinder
    van zeldzame glans,
     
    die zijn vleugels opent, sluit
    
ze opent, sluit

    en dan goudkleurig verder danst.

     

    Het gedicht is bovendien een blijk van Wagners nauwkeurige blik, zoals hij het ‘boord-// sel aan de hemdmanchet met vlok na vlok/ erop genaaid’ zo precies weet neer te zetten.

    De vertaling kan niet genoeg geprezen worden. Zij weet door soms markant van de originelen af te wijken (neem dat eindrijm), dicht op de huid van Wagners gedichten te zitten en ze in klank en beeld tot leven te brengen. Een mooi voorbeeld dat Van Hengel zelf van zo’n afwijkende, maar treffende vertaling geeft, is het openingsgedicht ‘Sluipgeer (zevenblad)’. In haar vertaling vervangt ze de klanken van de originele titel ‘Giersch’ die in het gedicht regelmatig terugkomen, door de s-, sl- en ui-klanken die in de Nederlandse titel voorkomen. Het is de hoop dat Van Hengel ook ander werk van Wagner zal vertalen: Regentonvariaties stemt benieuwd naar meer.

    UitgeverPodium
    Jaartal2016
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2016-2