Recensies

  • Lichtmeters

    Ruth Lasters
    Lichtmeters

    Lenige concepten

    In zowel Nederland als Vlaanderen verschijnen geregeld debuutbundels om vrolijk van te worden. Hè fijn, we hebben er weer eentje bij, denk je dan tijdens of na het lezen: een dichter die iets te zeggen heeft en er een interessante vorm voor weet te vinden. En je verheugt je alvast op wat zich verwachten laat, op volgende bundels waarin het prille dichterschap zich nog verder zal ontwikkelen. Minder vaak stuit je op een debuut waarin een dichter zich meteen volgroeid en ongenaakbaar aandient. Geen veelbelovende eerste stappen: vanuit het niets klinkt er een volkomen originele en overtuigende nieuwe stem in je oren.

    Eind 2007 overkwam dit me met Ruth Lasters’ Vouwplannen, bekroond met de Debuutprijs van Het Liegend Konijn. Lasters wist hierin van humor en ernst een mix te brouwen die borrelde van enthousiasme om de werkelijkheid, of eigenlijk: om de vele werkelijkheden die denkbaar zijn naast die ene die zich nu eenmaal het meest ostentatief aan ons voordoet. Zonder zich door weelderige beschrijvingen te laten afleiden, in tamelijk onopgesmukte taal, leverde de dichter het materiaal waar de lezer zelfstandig mee voort kon bouwen. Een ‘bouwpakket voor de verbeeldingskracht’ noemde ik de bundel destijds ergens.

    Acht jaar, tot afgelopen september, was het wachten op de opvolger Lichtmeters, waarvoor Lasters intussen de Herman de Coninckprijs voor beste Vlaamse dichtbundel in ontvangst heeft mogen nemen. ‘Het is een sterke, coherente bundel met schitterende zinnen, rake metaforen en vergelijkingen in een heldere taal,’ aldus het juryrapport in enigszins inwisselbaar Jurylands. Iets verderop wordt meer hout gesneden: ‘veel van haar gedichten zijn scenario’s die een vraag uitwerken die velen zich regelmatig stellen, zonder haar daadwerkelijk te beantwoorden: “Wat als?” Het resultaat is bijzonder lenige poëzie die ons anders laat kijken naar wat we al meenden te kennen.’ Een illustratie uit het eerste kwart van de bundel, ‘Soort’:

     

    Waarom wij niet bij wanhoop, eender wiens, formaties vormen
    zoals eenden eensklaps tegen luchtwerveling
     
    een v. Misschien een visgraatvloer van wij

    honderd dichtstbijzijnden, voeten geschrankt tegen kruinen
     
    zodra een gong weerklinkt waarmee die ene aanvraagt een
    tijdelijke bevrijding, evacuatie uit zichzelf naar
     
    ‘de soort’. Of haalbaarder: die ene radeloze die zich wurmt
    acrobatisch in een reiskoffer die wij dan door- en doorgeven door
     
    straten, met als bestemming slechts zijn onvoorwaardelijke
    blijven. Tot hij de koffer openstampt, zichzelf weer aandurft, aan-
     
    vat.

     

    Als je Lasters’ bundels vergelijkt, springen een paar formele overeenkomsten in het oog. Zo hebben ze als titel één drielettergrepig zelfstandig naamwoord in meervoud met een zekere praktische implicatie, tellen ze allebei 39 gedichten, voorafgegaan door een strakke inhoudsopgave op twee pagina’s opgedeeld in vier strenge kolommen onder bondige afdelingstitels. Elk van de gedichten past gemakkelijk op één pagina en bestaat uit relatief lange regels die korte strofen vormen, in Lichtmeters hoofdzakelijk distichons.

    Meer in de inhoudelijke nuance liggen de verschillen. Zoals in ‘Soort’, legt Lasters ons zowel in Vouwplannen als in Lichtmeters veelal concepten of veronderstellingen voor, om te overwegen of op door te denken, om de lenigheid van onze eigen gedachten mee te trainen. Het zijn aangename oefeningen, die enige inspanning vergen en die de dichter in haar tweede bundel net wat uitgebreider lijkt voor te doen dan in haar eerste. Daarmee blijft er wel net iets minder werk over voor de lezer. Misschien om er zekerder van te zijn dat haar bedoelingen overkomen? Het ziet er in ieder geval naar uit dat Lasters meer verschillende facetten van het leven wil bestrijken, het allemaal ook iets meer doorwrocht wil uitdrukken. In tact blijven evenwel de volkomen originele en aanneembare (gedachte)experimenten en handelingen waarmee Lasters een fascinerende link naar het gevoelsleven legt. Een van de hoogtepunten wat dat betreft, is ‘Rijst’, waarin via een ernstig spel met rijstkorrels en knikkers het einde van een relatie wordt getoond. Of ‘Woud’, waarin ‘het achteraf/ van vuurwerk’ uiteindelijk ‘de onherstelbaarheid/ tussen ons’ verbeeldt:

     

    Of je het achteraf

    van vuurwerk ooit zag. De takken van rook, niet
     
    de vonken, maar de pluizige stammen op precies dezelfde
    plaats waar net nog pijlen openknalden. Het luchtwoud
     
    dat daar na het doven enkele seconden voor je
    ontstaat. De restwaarde die eigenlijk grootser is dan
     
    de bedoelde fraaiheid van spetters kleurvuur. Zo is ook,
    nadat je hebt gezucht dat je me ondanks alles, ontrouw nog
     
    liefhebt, wat daarna in de kamer hangt op een doordringendere,
    verschrikkelijke, ongewilde manier mooier: de onherstelbaarheid
     
    tussen ons.

     

    Allebei gedichten waarin de liefde teloor gaat en de (ex)geliefde wordt toegesproken. Gedichten dus die het –weliswaar tragisch maar– intiem houden. Al is de dichter ook dan niet voor één gat te vangen: de genoemde rijstkorrels verbinden haar relatief kleine liefdesleed op typisch Lasterse wijze ook met het zwaardere levensleed van een boer in Angkor, in de buitenwereld, ver weg van het eigen huis.

    UitgeverPolis
    Jaartal2016
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2016-2