Recensies

  • Ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen

    Kreek Daey Ouwens
    Ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen

    Niets voor altijd

    HalverwegeIk wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen, de zesde bundel van Kreek Daey Ouwens, valt de dichter uit haar rol. Tot dan zijn de sterk met elkaar samenhangende gedichten geschreven vanuit het perspectief van een kind. Het taalgebruik is eenvoudig, de toon is vertellend, de blik is naïef en de personages worden ‘mamma’, ‘grootmoeder’, ‘grootvader’ en ‘Rudi’ genoemd. Nadat in ‘De kraai’ een vogel dood uit een boom valt, wordt ineens nadrukkelijk het perspectief gekozen van de volwassen vrouw die haar herinneringen opschrijft:

     

    Ik kan me niet herinneren of we de vogel
    hebben begraven. Ik heb het opgeschreven,
    ik moet het hebben opgeschreven, sinds
    mijn kindertijd schrijf ik alles op, maar
    ik kan het niet terugvinden, mijn hand-
    schrift is chaotisch, is onleesbaar.

     


    Na dat gedicht is het woord weer aan het kind, tot er in de ‘epiloog’ weer over herinneringen wordt geschreven. Kennelijk probeert de dichter zoveel mogelijk in de huid van het kind te kruipen. Wat is dit voor kind? Ik zou zeggen: een nogal angstig kind met een obsessie voor de dood (die in een van de gedichten een ‘niets voor altijd’ wordt genoemd). De aanwezigheid van een knuffelbeer in de slaapkamer is bedreigend, maar ook de schaduw van de grootmoeder of de manier waarop ‘mamma’ haar stofdoek uitklopt.

    Mamma en grootmoeder zijn de belangrijkste levende personages in het relaas, maar de doden (grootvader en Rudi) hebben een minstens zo belangrijke rol. Grootvader is al aan het begin van de bundel dood. Zijn verschijning als herinnering is beklemmend. Rudi is ‘mamma’s neef’, hij wordt beschreven als een goedaardige, wellicht zwakbegaafde man. Hij verdrinkt direct nadat hij in de bundel is geïntroduceerd ‘in een diepe kuil waar water in stond’.

    ‘Vader’, of ‘pappa’, is de grote afwezige. Hij speelt in het geheel geen rol in de gedichten, hij wordt zelfs niet genoemd. Of toch? Na een gedicht waarin mamma en grootmoeder foto’s kijken en dat eindigt met de gefluisterde opmerking van mamma ‘mannen bedriegen altijd’, lezen we:

     

    Ik schrijf in mijn boek:
     
    Vincent Willem Marie

    Moeder Helena, geboren 1936
    Vader Johan Albert
     
    Drie namen op een blad.

     

    In alle, schijnbaar onbelangrijke, details speelt de dood op de achtergrond mee. Vaak ook is de dood minder op de achtergrond aanwezig en zijn de details minder schijnbaar onbelangrijk. Zo is er bijvoorbeeld een gedicht waarin de ik-figuur in de kuil gaat liggen waar Rudi in is verdronken. Het is natuurlijk niet zeker of de beschreven scènes allemaal daadwerkelijke herinneringen zijn of fictie (of, en dat lijkt me het waarschijnlijkst, een combinatie daarvan). In ieder geval wordt het herinneren zelf geproblematiseerd.

    Een volwassene probeert immers de belevingswereld van een kind zo dicht te naderen dat het onderscheid nauwelijks meer waarneembaar is. Die handeling zelf benadrukt de vergankelijkheid. Het betreft een belevingswereld waarin die vergankelijkheid een centrale plek inneemt. De bundel is zodoende enerzijds het verzet tegen de dood en de vergankelijkheid, anderzijds de vormgeving ervan. Volgens eenzelfde redenatie is volgens mij ook de paradoxale titel van de bundel te verklaren. De dichter confronteert zich met de eigen sterfelijkheid door plaats te nemen in de eigen herinneringen. Aan de andere kant schept juist deze handeling afstand tot de dood (we keren immers terug naar de kindertijd). Deze handeling is, veelzeggend genoeg, voor de dichter noodzakelijk.

    De gedichten zijn, zoals we van Kreek Daey Ouwens gewend zijn, beeldend sterk en in vormtechnisch opzicht eigenzinnig. Het raffinement schuilt in de kinderlijke toon en de raak gekozen details. Daardoor blijven ze na lezing nog dagenlang hangen. In het geheugen, dat dan weer wel.

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2016
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2016-2