Recensies

  • De rotonde Roman. in verzen

    Mark Boog
    De rotonde Roman. in verzen

    Wandelend naar de belofte van een beter leven

    Waarin komen de volgende regels overeen? ‘Wees hier aanwezig allereerste geest/ die over wateren van aanvang zweeft.’ En ‘Het was zomerdag. De doodstille straat lag/ te blakeren in de zon. Een man kwam de hoek om.’

    Ze zijn gevoeglijk bekend als de aanvangsregels van twee grote episch-lyrische gedichten van Martinus Nijhoff, Awater en Het uur U. Krachtige parabels waarin met een wandelende man een verhaal over zijn tijd wordt verteld. Mark Boog voegt zich nadrukkelijk in die traditie met De Rotonde. Roman in Verzen: ‘Oorverdovend razen de motoren./ De kranen die de dagen takelen van hier/ naar ginder draaien knarsend overuren./Van Dam, gekleed, verlaat zijn huis.’

    De lezer voelt onmiddellijk dat hier in poëzie iets gebeuren gaat. Geen eindrijm maar een krachtig metrum, een afgepaste hoeveelheid lettergrepen per dichtregel, meestal tien. Mark Boog richt zich naar nog een aantal andere tradities; de man in het lange gedicht, Van Dam, loopt naar een kruispunt om zijn ziel aan de duivel te verkopen. Daarmee verwijst Boog naar een lange Faustiaanse traditie die in wezen al teruggrijpt op het Nieuwe Testament, Mattheüs, waar de duivel Jezus in eigen persoon tracht te verleiden. Goethes Faust, is de beroemdste herneming van dat thema geworden. Nobelprijswinnaar Thomas Mann heeft het gegeven misschien het allermooist uitgewerkt in zijn grote romanDoctor Faustus. Er stond toen duidelijk veel op het spel: het opkomend fascisme en de wereld van de muziek maakte het gebruik van het thema dieper.

    Boog relateert zijn gedicht aan nog een groot meesterwerk, en dan naar de vorm. De bundel is opgebouwd uit drie maal 33 zangen, net als Dante’s Goddelijke komedie. Elke zang hier 3 kwatrijnen en een drieregelig coda. De rotonde lezen begint als een zalige opluchting. Het is plezierig een Nederlands dichter een grootse poging te zien aanvangen, en de herinnering aan de grote voorbeelden helpt al bij aanvang blij te zijn met wat je leest.

     

    Het weidse om hem heen vertroost, hij is
    een wandelaar. Zijn eigen ruiter. Zonder
    paard of ronkend voertuig dat met hoge
    snelheid over donker asfalt raast,
     
    geen zadel hoog boven de wereld, zetel
    achter een welvend glas, maar wie beleeft
    zijn jongensdroom zonder verlies? [...]

     

    De cadans is verleidelijk en behoort tot de sterke kanten van deze bundel, de Nijhoffiaanse klank is goed getroffen. Dat de Faustlijn in de bundel gereduceerd wordt tot een vondst, is echter teleurstellend. Omdat in een wereld waarin God niet meer bestaat, en een hemel voor bijna niemand een relevant toekomstperspectief is, de diep religieuze noties van De Hel van Dante, of de verkochte ziel van Faust immers volstrekt irrelevant zijn geworden. Want waarmee betaal je de verkoop van je ziel? Nergens mee, wanneer je een hiernamaals er niet voor opgeeft. Dat haalt de angel uit dit verhaal. Van Dam geeft niets op. Veel inzicht in zijn diepere problematiek krijgen we ook niet. En hoe dramatisch kan dan een Faustverhaal zijn? Met goede wil kun je de nikserige levensopvatting van Van Dam nog als een teken des tijds zien. Wat wil Van Dam eigenlijk? Hij dronk teveel en heeft een reeks afwijzingen van vrouwen te verstouwen gehad. Ziet de mens: een burgerman in een fletse jas met een drankprobleem, gefnuikte dromen, en de vele ‘nee’s op zijn levenspad.

    Maar de grootse ontgoocheling is er een van narratieve aard. De vondst om Van Dam na al die zangen, overwegingen en voorbeschouwingen op de duivel die hij ontmoeten gaat, zijn felbegeerde kruispunt – waar men historische gezien de Duivel steeds ontmoet – de vondst om die man tot zijn stomme verbazing op een rotonde aan te laten komen is geweldig! De rotonde: een onbeschreven fenomeen van concessiementaliteit: in de laatste twintig jaar is Nederland volledig verrotondeerd. De rotonde: de veiligste, vooraf aangekondigde, tot lage snelheid dwingende, risicoloze ontkenning van een snijpunt. De keuze dan, om die narratieve paukenslag in titel en op achterflap weg te geven, is onvergefelijk. Wat zou het effect geweldig zijn geweest als men die mooie vondst nog wat onder zich had weten te houden en de lezer daar zelf tegen aan had kunnen lopen.

    Hier staat nog wel het volgende tegenover. De rol van het landschap in dit gedicht is bijzonder goed vormgegeven. Dit is de lyriek van de polder, hier zien we een hedendaagse Awater echt door veld en beemd schreiden. Hij ziet de weg./ Hij buigt het hoofd./ Het onweert in de verte, zoals de oervorm van de coda luidt. Dit landschap en het immer naderende onweer gaan de lezer niet in de kouwe kleren zitten.

     

    Hoe kan afwezigheid zo groot zijn, zo
    intimiderend? Hoe werd plat en leeg

    zo weids? De klare lijn die aan het einde
    van zijn blikveld ligt draagt kerktorens
     
    en huizen, zwart getekend tegen de
    verdrukte, smalle strook bleekblauwe lucht.
    Erboven wolken en bederf: groengeel

    en braakbruin. Het broeit, de wrake nadert.

     

    Mark Boog is te prijzen om zijn gevoel voor landschap, voor zijn ritme en de fraaie beelden die dat oplevert. En de vondst van een hedendaagse Faust die een rotonde op ziet doemen waar hij een kruispunt verwacht is een cadeau! We hadden het alleen graag zelf willen uitpakken.

    UitgeverCossee
    Jaartal2016
    RecensentMenno Hartman
    Editie2016-2