Recensies

  • Slordig met geluk

    Menno Wigman
    Slordig met geluk

    Over na de dood

    Over de nieuwste bundel van Menno Wigman is al veel geschreven. Slordig met gelukwerd bijna unaniem lovend ontvangen en beleefde binnen een maand een tweede en zelfs derde druk – voor poëzie toch tamelijk bijzonder. ‘Slordig met geluk is het relaas van een magistraal falen,’ schreef Maria Barnas in de Volkskrant, en gaf de bundel vijf sterren mee. ‘Dit is in allerlei opzichten poëzie van de tegenspraak, vol tegenstrijdigheden, rationeel en subjectief tegelijk, particulier en toegankelijk, onaf maar gaaf ogend, heel mooi maar erg boeiend,’ volgens Huub Beurskens op De Reactor. Wigman schreef een op het oog vormvaste bundel: vijf keer zeven gedichten met een opening en afsluiting. Ieder gedicht is in een stevig kader van rijm en metrum ingebouwd. Toch laat Wigman hier en daar openingen vallen: het rijmschema wijkt af, de vorm maakt nèt geen sonnet. Dat strookt met de inhoud van de bundel, die twijfel lijkt te prediken.

    De bundel start met een gedicht getiteld ‘Herostratos’, vernoemd naar de gelijknamige Griekse man die brandstichtte in de Tempel van Artemis enkel en alleen om eeuwige roem te vergaren. Ter bestraffing werd hem de doodstraf opgelegd en werd het volk verboden zijn naam ooit nog te noemen. Wigman sluit het gedicht af met: ‘Nog voor het eind van het festijn zal ik de grootste zoekterm zijn.’ Een hoge inzet; hier wordt gezocht naar de bevestiging van het ik. Al in het volgende gedicht wordt deze inzet onderuit gehaald:

    En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
    door poëzie van alles om je heen vervreemd,

    nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.

    Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
    Had je maar nooit een gedicht gezien.

     

    Vervolgens lezen we door de bundel heen gedichten die de poëzie verheerlijken, en gedichten die haar verafschuwen, gedichten die het ik betwijfelen, en terugkijken op een geleden leven. Aan het woord lijkt een personage dat zich afvraagt: wat ben ik kwijt? Wat is er nog van mij over? ‘De man die uit een vulva viel’ bijvoorbeeld, beschrijft een man die zich de sleur realiseert van een vrij leven zonder relatie maar met iedere nacht een ander liefje in zijn bed: ‘Nog dertig jaar van dun geluk. Dan zakt/ hij moe in een vermoeide scheur terug.’

    De ik die in veel van de gedichten aan het woord komt, lijkt aan de tweede helft van zijn leven te zijn begonnen. Hij relativeert, maar ziet ook een geschiedenis van verloren liefdes en gestorven vrienden achter zich – de bundel bevat onder meer in memoriam geschreven gedichten voor Thomas Blondeau, Gerrit Komrij, en enkele eenzame uitvaarten. Alles lijkt in het teken te staan van vergankelijkheid. Maar dat relativeert ook:

     

    Ik geselde mijn geest, zocht het bij Proust en Yeats,
    verloor me in muziek en viel toen stil. – Later,

    veel later. De dood stond aan mijn autodeur te rukken
    En ik schrok wakker in een witte zaal.

    Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot
    en kwam ik grimmig zingend op verhaal.

     

    Precies halverwege de bundel staat ‘Intensive care’. Wigman schrijft hier over zijn periode in het ziekenhuis waar hij kwam te liggen (of ‘aanspoelde’, zoals zijn flaptekst het beeldend beschrijft) na de ontdekking van een ‘mysterieuze hartkwaal’. Dit biografische weetje maakt het moeilijk om de bundel los te lezen van een dergelijke kantelende gebeurtenis. Het dichtende ik, soms een hij, heeft spijt, schaamt zich. Het heeft zich tot nog toe onbezorgd en nietsontziend door het leven geblazen met veel drank en seks en liefde en vriendschap, zonder zich te realiseren dat het leven eindig is. Dat levert drama op, en nieuw respect voor het lichaam: ‘Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?/ Waarom bleef ik zo koppig tronen in mijn hoofd/ en woonde ik mezelf zo hevig uit?’ Maar ook vertwijfeling over de poëzie en welke plek die inneemt in het leven:

     

    Het jaar is jong en straks zit je een leven lang
    te schrijven hoe je leeft (en ik wil niet
             dat het aan het eind van deze zin regent.
    En ik pen door tot hier wat licht doorbreekt.)
             Strafregels. Waarom. Steeds. Die. Straf–

     

    Het streepje geeft al aan: dit is een open einde, geen afsluiting maar een volgende fase.  Slordig met geluk eindigt dan ook positief, optimistisch zelfs, met een gedicht dat een motto uit Rilkes Sonnetten aan Orpheus meekrijgt, en ‘[m]ooie dingen, allemaal mooie dingen’ uit het immer ondoorgrondelijke leven en de natuur beschrijft. Leven en dood, en het verloop van de tijd daartussen, komen er samen.

    Wigman heeft de particuliere basis van zijn bundel bijzonder sterk weten om te zetten in een toegankelijke bevraging van de vanzelfsprekendheden van het leven en de herkenbare kwalen van menselijkheid. Ik kan iedereen aanraden deze bundel aan te schaffen en hem een vierde druk op te leveren.

    UitgeverPrometheus
    Jaartal2016
    RecensentKim van Kaam
    Editie2016-2