Recensies

  • Oog

    Eva Gerlach
    Oog

    Een magnifiek verlies 

    Er staat een korte bespreking van Eva Gerlachs bundel Kluwen op internet waarin de recensent verklaart vroeger van Gerlachs werk te hebben gehouden maar nu niet meer, omdat hij nu niet meer technocratisch leest. Daar impliceert hij mee dat het het technisch vernuft van Gerlach is waarom je haar werk zou kunnen waarderen. Maar dat is zoiets als zeggen dat Coltrane goed is omdat hij zo’n vaardige saxofonist is. Ik bedoel, dat klopt, maar de liefde in A love supreme is een liefde voor iets heel anders, iets dat, zou ik zeggen, niet in zijn spel aanwezig is. Want dat is het wezen van liefde: ze is altijd voor de andere, of het andere bedoeld. Is het werk van Gerlach knap? Ja. Ik zou een essay kunnen schrijven over nagenoeg iedere zin uit Oog en nog de bundel geen recht doen. Neem deze, uit  het eerste gedicht:


    (…) en jij
    die ik de lichtste dacht valt als nacht op me: ‘Kom
    en hou me vast voorgoed’ (…)




    Eerst is de lichtheid een lichtheid qua gewicht. Jij bent de meest lichtzinnige, de vrolijkste, de gelukkigste. Maar dan staat er ‘dacht’, wat niet alleen de lichtheid in twijfel trekt, maar er klinkt ook het woord ‘dag’ in mee, wat nog eens versterkt wordt doordat er heel snel het woordje ‘nacht’ op volgt. Ineens gaat het over licht dat schijnt en zichtbaar maakt. Dit schijnende, veronderstelde licht valt ‘als nacht’ – dus als duisternis – op de ik. Zo slaagt Gerlach erin om het met licht donker te maken. Het is niet alleen knap, het is ware tovenarij.

    Wie Gerard Manley Hopkins gelezen heeft, herkent in Gerlachs werk het gebruik van diens noties van inscape en instress. Voor Hopkins was het van het grootste belang dat hij over dat wat hij beschreef geen macht uitoefende – dat hij, om het in de woorden van de recensent hierboven uit te drukken – juist geen technocraat was. Hij ging er van uit dat alles een eigen leven had, dat alles een ingekeerdheid (inscape) en een gerichtheid naar buiten had (instress).

    Die dubbele beweging zit precies in het titelwoord ‘oog’. In een storm beweegt het vanuit het oog naar buiten toe, terwijl een draaikolk juist van buiten het oog in beweegt. En het oog is het orgaan waarmee we zien (van binnen naar buiten) maar ook het woord waarmee we aanduiden dat we ons gezien weten (van buitenaf). Het oog is het ik en het oog is de ander. Zo moet je, vermoed ik, ook het woord ‘samenhang’ duiden waarmee de bundel zich op de achterflap als derde in de trilogie Labyrint aankondigt: als samenhang tussen dat ik en die ander. 

    Ik las dat in eerste instantie vrij abstract. ‘Zeg me, gevlogene, hoe’ begint het eerste gedicht van de eerste reeks, ‘kom ik aan wat je me voorhield, je eenmaal/ eeuwigheid op mijn vel gevoeld als haar// na haar te berge, onafzienbaar?’ Hoe behoud ik wat ik kwijtraak? Wat ik heb gevoeld en wat vervliegt tot enkel herinnering? Redelijk plechtstatige taal, abstract ook, en dus ging ik deze vragen ook in abstracte, filosofische en ook wel theologische zin stellen. In talige zin ook, zoals wanneer Gerlach schrijft:‘Zing andersom even snel ennigeb ned ni’. Keer terug op het spreken, keer terug via je woorden tot daar waar de woorden vandaan komen, tot je oerwoord. Want elk uitgesproken woord, kun je zeggen, verdeeltde samenhang tussen alles. In een uitgesproken woord vind je iets en verlies je alles. Gaandeweg ging ik me echter realiseren dat de ik van de bundel iets heel concreets kwijt is: een heel lichamelijke ander.

    Als ik je neerleg, als ik je hier zo aan alle
    kanten gladtrek als de tent die je niet
    bent geen deksel geen dek
    Als ik je daarom, omdat je steeds sneller steeds
    ingeslikter wentelt, binnenbrandt, niet
    ophoudt te zijn wat je niet
    zodat niets je kan breken, zodat je
    valt in het opgeloste zeg niet samen
    valt uit jezelf wegvalt
    Als ik je daarom loslaat en je je uitspreidt
    tot je voorbij hetweggaan bent waar je bent –
    Hier. Geen andere tijd.



    Oog
    is een rouwbundel. Eentje die, als een draaikolk, steeds verder naar binnen in het verlies doordringt, en stap voor stap zich van de taal ontdoet waarmee we dat verlies omringen. En die je tegelijk uitspuwt als een storm, het lege buiten in dat achterblijft na verlies. Het is vreemd om daarna terug te keren bij het begin van de bundel en je te realiseren: over deze dode ging het de hele tijd, hoe kon ik zo stom zijn dat niet te zien? Maar hoe snel je ook door hebt dat dit aan de hand is, dat je zo stom bént is wat de bundel wil laten voelen. Dat we de hele tijd niet‘Hier’ zijn, niet in ‘Geen andere tijd’. In Oogpelt Gerlach die taalwebben om onze sterfelijke lichamen af. Oog maakt machteloos. Oog bevrijd je van de technocraat in je die je verdriet in toom houdt. En laat het stromen. Wat een bundel. Wat een geweldige bundel.

    UitgeverDe Arbeiderspers
    Jaartal2019
    RecensentJoost Baars
    Editie2020-1