Recensies

  • Zog

    Erik Lindner
    Zog

    Lege beelden


    Erik Lindner is een vakman. Dat blijkt in de eerste plaats uit zijn letterkundige positie. Hoewel er in Nederland niet veel aandacht voor zijn werk is, staat hij in het buitenland bekend als belangrijk dichter, want hij heeft een effectief opgebouwd netwerk dat hem her en der optredens en vertalingen oplevert. Hij pakt zijn dichterschap professioneel aan, en daar kan men alleen maar respect voor hebben.

    Ook zijn poëzie getuigt van vakwerk. Op zijn nieuwe bundel, met de fraaie titel Zog, valt – afgezien van een storende spelfout – niets aan te merken, alle woorden staan precies waar ze moeten zijn en het geheel klinkt als een klok. Lindner weet hoe je met woorden omgaat.

    De reeks waarmee de bundel opent, eveneens ‘Zog’ geheten, beschrijft in elf gedichten minutieus een Laaglandse kust, waar de branding aanrolt, de zon ondergaat en hardlopers over een boulevard snellen. Lindner kijkt heel nauwkeurig:




    teruglopend water onder nieuwe golven
    terugglijdend schuim dat opnieuw wordt voortgestuwd
     
    stortstenen met vierkante gaten erin
    hoeken in de golven
     
    teruglopend water, meertjes achter zandplaten
    geulen tussen geribbeld opgedroogd zand

     

    Strofe na strofe, gedicht na gedicht registreert de camera wat er gebeurt. Dat is heel weinig, maar misschien is het ook wel alles, want met enige goede wil zou je de reeks kunnen lezen als een evocatie van de eeuwige kosmische cyclus van aankomst en vertrek, opkomen en ondergaan. Hoe ‘schuim op het zand wappert in de wind/ en loskomt en verder rolt’, is dat geen vanitas? De dichter ziet hoe een golf omslaat en pas daarna schuim maakt, ‘hoe het witte schuim van een nieuwe golf/ als een tong door bruin gedroogd schuim glijdt’. Kalme, eenvoudige beelden die tot meditatie aanzetten.

    Daarin schuilt echter meteen het probleem. Lindner trakteert ons op kale, zij het melodieus geformuleerde beelden, maar na een paar bladzijden begin je je af te vragen of taal wel het handigste middel is om te laten zien wat er op een strand of een kade gebeurt. Zou film, fotografie of schilderkunst geen beter medium zijn geweest? Wat voegt het woord toe aan wat er te zien is?

    De tweede reeks, over een verlaten fabrieksterrein in de buurt van Luik, herhaalt het recept, met dit verschil dat op de nauwgezet geconstrueerde plaatjes hier en daar een vrouw opduikt, die zich zelfs even verwondt aan een ijzeren rooster. Verder gebeurt er niets, al stralen de desolate details een roestkleurig heimwee uit:

    de berg glinsterende leistenen de omgevallen
    afrastering het trommelen op de golfplaten
    de ingezakte rupsbanden en open containers


    Locaties als deze doen sterk denken aan het werk van Hans Tentije. Maar waar de laatste een verdwenen wereld van intens levende mensen oproept, gebeurt er bij Lindner hoegenaamd niets. Met enige opluchting las ik in de reeks ‘Roeiers op de Aasee’ regels als ‘Water dat ik moet kunnen zien/ om mezelf kwijt te raken’. Eindelijk toont de dichter enige betrokkenheid, eindelijk kent hij betekenis toe aan wat hij ziet. Typerend daarbij is dat het gaat om een poging zichzelf kwijt te raken: inderdaad heeft de dichter zich uit de tekst weg geschreven. Bij beeldende kunst werkt dat, bij poëzie niet.

    Het enige drama dat zich in Zog voltrekt vindt plaats in ‘Man in het water’, geschreven voor de eenzame uitvaart van een man uit Litouwen die in het Vondelpark verdronk. Maar ook dit gedicht bestaat voor de helft uit registratie van visuele indrukken, en zodra de kijker iets toevoegt wordt het meteen pathetisch. Lindner kan schrijven, dat is duidelijk, maar heeft hij ook iets te vertellen? Ik vind dit doodsaaie poëzie.

    UitgeverVan Oorschot
    Jaartal2018
    RecensentPiet Gerbrandy
    Editie2018-2