Recensies

  • Een veld van eilanden

    Édouard Glissant
    Een veld van eilanden

    Nieuwe mythes en identiteiten 

    Menig (langer) gedicht begint a la de Odysseemet de aankondiging dat er een persoon of geschiedenis bezongen gaat worden. Édouard Glissants Een veld van bloemen begint weliswaar niet met een openingszang, maar wel met een gedicht dat waarschuwt: ‘De mens kan doen wat hij wil de schreeuw schiet wortel.’ Dat korte gedicht, ‘De ogen de stem’, is in de verder chronologisch opgebouwde bundel naar voren gehaald, nog vóór het gedicht uit Glissants debuutbundel uit 1953. Dat moet wel een bewuste ingreep zijn van vertaler en samensteller Jan H. Mysjkin. Het openingsgedicht wordt zo een poëticaal statement: de poëzie die volgt komt niet voort uit het zingen, maar uit de schreeuw.

    Die schreeuw slaat waarschijnlijk op een specifieke traumatische geschiedenis: de slavernij. Édouard Glissant (1928-2011) was een vooraanstaande schrijver en dichter op het gebied van Caribische literatuur en een belangrijke stem in de postkoloniale (literatuur)kritiek. Hij werd geboren in het overzeese Franse departement Martinique, waarnaar tijdens de koloniale tijd massaal slaven werden verscheept. De indianen die het eiland bevolkten, werden grotendeels verdreven. De bevolking is inmiddels voor negentig procent van Afrikaanse of Afrikaans-indiaanse afkomst. Ook Glissant had Afrikaanse wortels. In zijn poëzie zoekt hij tegelijkertijd aansluiting met wat er in Europa en specifiek in Frankrijk gebeurde. Deze gedichten laten een lichte surrealistische invloed zien, vooral in de vervreemdende formuleringen, maar het belangrijkste Europese bestanddeel lijkt het symbolisme te zijn. De symbolendichtheid van de gedichten is dan ook hoog, al krijgen vertrouwde beelden bij hem een andere invulling en context. De zee krijgt in zijn gedichten een geheel andere lading dan bij bijvoorbeeld Mallarmé en Rimbaud, wier poëzie toch in die van Glissant doorklinkt.

    Een veld van eilanden is beperkt van omvang, met één kort gedicht en drie langere gedichten. Ook Mysjkins inleiding is erg kort, te kort zelfs: belangrijke thema’s – zoals Glissants pleidooi voor een verbroedering tussen kolonisator en gekoloniseerde – worden eerder aangestipt dan uitgewerkt; de gedachtewereld die uit de non-fictie blijkt, blijft grotendeels buiten beeld. Gelukkig laten deze gedichten, die op het eerste gezicht een beetje stug ogen, zich toch vrij intuitief benaderen. Enig onderzoek wordt daarbij wel aangeraden. Zo werd bijvoorbeeld na de onbevangenere eerste leesbeurt mijn vermoeden bevestigd dat Glissant zichzelf als een dichter-ziener beschouwde, a la Rimbaud. De visionaire, mythische insteek past goed bij de Afrikaanse culturele invloeden die eveneens een belangrijke voedingsbodem vormen. In het afsluitende gedicht ‘Het ontvreemde oog’ put Glissant bijvoorbeeld expliciet uit de Egyptische mythologie door in zijn proza-inleiding het oog expliciet in verband te brengen met dat van Horus, dat hij terugkreeg door een ritueel nadat ‘dat niet minder ritueel door een andere god werd uitgepeld.’Het is niet moeilijk om hierin een verwijzing te zien naar een getraumatiseerd volk dat na de slavernij een eigen cultuur moet vormgeven. Zoals ook in Glissants gedichten terug te zien is, was hij zelf een voorstander van een identiteit die zowel op de Afrikaanse afkomst geënt is als op de Frans-Europese cultuur van de vroegere kolonisator. In deze gedichten kom je geen verwijzingen tegen naar het polariserende ‘wij’ of ‘zij’, maar juist een impliciete oproep tot broederschap.

    In een gesprek met de Saint-Luciaanse dichter Derek Walcott – een andere belangrijke stem in de Caribische poëzie– stelt Glissant dat er in de westerse cultuur geen écht belangrijke mythen bestaan waarvan de Ander deel uitmaakt. Hij expliciteert geen dergelijke wens in dat gesprek, maar de laatste drie gedichten in Een veld van eilanden kunnen wel degelijk gelezen worden als nieuwe mythes voor een gezamenlijke identiteit. Het zijn gedichten die om geduld en aandacht vragen, en ook dan blijft veel nog onscherp, maar er vallen steeds nieuwe details op: elementen die je in tweede instantie ineens wel kunt duiden. Dan valt ook de kracht van deze poëzie op: de vermenging van tradities leest als een mogelijke manier om een nieuwe, hybride en gedeelde identiteit op te bouwen.

    UitgeverVleugels
    Jaartal2019
    RecensentMaarten Buser
    Editie2020-1