Recensies

  • Godface

    Asha Karami
    Godface

    Steeds minder vlak

    Asha Karami maakte op het podium naam met haardroge voordracht, die op vaak ontregelende manier de verwachtingen van het publiek doorbreekt en haar gedichten emotioneel moeilijk ‘leesbaar’ maakt. Met haar ‘performance als non-performance’ werd ze niettemin tweede tijdens het NK Poetry Slam. Nu is er haar debuutbundel, met de al even opvallende enambigue titel Godface, oftewel een verzaligde glimlachdie frictie moet onderdrukken.

    De bundel bestaat uit een vijftal afdelingen, die naar plekken in Taiwan zijn vernoemd – waarom heb ik niet kunnen achterhalen, en dat lijkt ook precies Karami’s bedoeling. Ze worden voorafgegaan door niet zulke verlichte emoties: agitatie, aversie, delirium, apathie en euforie. De bundel leest zo als een hedendaags stemmingsboek (of meer nog, een boek van hedendaagse stemmingswisselingen) dat peilt hoe het voelt om in de tegenwoordige tijd te leven. In de eerste afdeling ‘Wanhua’ lezen we dan ook over psychologische tests, medicatie, communicatie met chakra’s en yoga die een afgemat lichaamen afgevlakte geest verlichting moeten brengen:


    op een vreemde manier ouder worden
    wang lip plomp vooruit denken
    steeds minder vlak


    Karami schrijft fragmentarische gedichten, opgetrokken uit flarden van gesprekken, gedachten, soms niet meer dan registraties van de omgeving, met vaak abrupte wisselingen van toon en scene, en botsende registers, van filosofisch tot medischwetenschappelijken zeer alledaags. Ze lezen af en toe alsof iemand een beetje bozig staat te lijmen watkapot is en niet meer gemaakt kan worden. Onsamenhangend? Misschien, maar in een reeks als ‘aaneenzetting’ is de dichter ook bezig met herstelpogingen. Daarvoor moet wel een andere taal worden uitgevonden, want ‘er lijken geen woorden onveroverd’, en ook een andere materiële vorm, waarin de dichter ‘tot een onherkenbaar geheel samenklonteren’ kan, zoals de dichter schrijft. Zie daar de aangrijpende problematiek van deze bundel: hoe in een overweldigende, bedreigende wereld bestaansvormente vinden die leefbaar zijn?

    In de tweede afdeling blijkt dat de vervreemding die de bundel doortrekt ook veel met afkomst – Karami heeft onder meer Iraanse wortels – te maken heeft,zij het niet op de manier die je zou verwachten. ‘Nietsvan witheid beschrijft mij’ tekent de dichter op inhet gedicht ‘donuts zijn niet halal’, en ‘wat er overzwarte vaders wordt gezegd werkt niet meer’. Werkendof niet, het verleden blijft aan de spreker kleven,ook als ze dat juist helemaal niet wil reproduceren. Het korte gedicht ‘kont’ waarmee deze afdeling opent, is een oorlogsverklaring aan elke vorm van symbolische identificatiemet afkomst:

    er zijn twee versies van mijn vader
    stellingname: mijn naam
    achternaam: niet de vries
     
    waar kom ik vandaan wil je weten
     
    net als jij uit mijn moeders kont

     

    Karami blinkt uit in dergelijke, vinnige regels waaruit behalve irritatie en walging ook een programma klinkt: breken met de afstammingslijn. Ze slaat de lezer niet geschokt om de oren met dit alledaagse racisme, want de schok ervan is al lang overgegaan in vermoeidheid, in de pijn van decontinuïteit.

    Toch blijft identiteit rondspoken in deze bundel, vooral in de vierde reeks, waarin de dichter een reeks vaderfiguren en oorsprongsverhalen opvoert. Ook dit zijn ontmanteldevormen, waarmee de dichter vooral de behoefte aan verhalen over afstamming bevraagt. Wanneer haar stiefvader een artikel doorstuurt over succesvolle Iraniërs, stuurt ze haarreactie met een geeuwende emoticon terug. Karami wijdteen gedicht aan José Vasconcelos’ klassieker La Raza Cósmicaaan, waarin hij de mesties als het gemengde ras van de toekomst een glansrol toebedeelt. Maar die rol lijkt de dichter slecht te passen. Er is bepaald geen sterk besef van de eigen identiteit in deze bundel, laat staan van collectiviteit, maar een des te sterker besef van performance, van flux en de materialiteit van ontmoetingen, waarin lichamelijkheid,op veel plekken een bron van last in deze bundel,ook een bron van geweldige bevrijding kan zijn. Het houdt immers verlangen vast(‘mijn leven beweegt tussen het verleden/en linksaf waaruit nieuwe mogelijkheden ontstaan’),ongemakkelijke intimiteit (‘in een retrofuturisische wereld/draag ik mijn superabsorberend donker kostuum en/ komik dicht tegen je op staan’) en de vrijheid nog geen vaste vorm te hebben (‘het gelukkigste moment van de dag is wanneerik / opsta en mijn lichaam nog niet weet wat het is’).

    Het gedicht is voor Asha Karami een affectief instrument: het meet en reguleert wat onverteerbaar is en komt daartegen in verzet en nieuwe mogelijkheden spoort het juist op en vergroot ze. Met haar opzichtig vlakke stijl en non-performance is haar poëzie volgens mij in staat ommet grote gevoeligheid te peilen hoe het voelt om op dit moment in leven te zijn.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2019
    RecensentFrank Keizer
    Editie2020-1