Recensies

  • Zon

    Peter Verhelst
    Zon

    De zintuiglijkheid voorbij

    In een interview met Kester Freriks (NRC, 20-2-2015) vertelt Peter Verhelst dat hij, voordat hij schrijver werd, schilder wilde worden. Als scholier leerde hij al, zoals hij dat noemt, ‘op een zintuiglijke manier kijken’. Het gaat hier blijkbaar niet om het achteloze van het werkwoord zien, noch om het afstandelijke van observeren. Intens kijken dient volgens Verhelst als tegenwicht tegen vluchtigheid en vergankelijkheid; schrijven is daarbij het middel om aanwezigheid te creëren, een behoefte die voortkomt uit gemis. Een overtuigende poëtica en uiterst werkbaar bovendien, zoals gebleken is uit het voorgaande werk van Verhelst.

    Het lijkt erop dat deze formule inmiddels niet meer voldoet: in de bundel Zon gaat de auteurverder dan het inzetten van de zintuiglijke ervaring als wapen in de strijd tegen vergetelheid. Deze transitieis niet alleen thematisch weergegeven, maar komt ook terug in de sterke compositie van de bundel.De vier delen van het werk, elk met een eigen poëtische identiteit, voeren de lezer mee in een ontwikkelingdie gaat van een ingekeerde, op zichzelf gerichte blik naar een panoramische visie op de actualiteit.

    De eerste twee afdelingen bieden het perspectiefvan de lyrische ik, zij het dat zij zich in tegenovergestelde richting bewegen. Zintuiglijkheid vertoont hier een breed spectrum dat veel verder gaat dan kijkenalleen. ‘Marines’ kiest aanvankelijk positie inhet duister, alsof een bundel die de zon thematiseert alleen maar in het donker geworteld kan zijn. Liefdewellicht, maar het trauma van het altijd inherente afscheid overheerst. Als de zon daarna opkomt, is haar warmte gebaseerd op een overvloed aan herinnerde geuren, smakenen kleuren:
     

    Stonden we elkaar daar op te wachten
    Wikkelden we het vlees in een deken
    Voegden jeneverbessen toe, tijm, dragon, truffelolie, olijven
    Reden door de lavendelwolk boven het dorp
    Kwamen aan bij het huis, hagedis op de muur, opengesperde oleander

     

    Felwit monochroom licht, het gelaagde kleurgebruikvan Van Gogh in ‘Immense citroengele schijf(midzomernachtzon)’: alles draagt het duister reeds in zich. Niet door het natuurlijk verloop van de zonsondergang, maar opnieuw door een trauma: de verduistering die de paradox van een zwarte zonmet zich meebrengt. De intense liefdesgedichten van dit tweede deel hebben de slepende ondertoonvan melancholie. ‘Laten we nog één keer naar de zeerijden’, zegt de lyrische ik tegen zichzelf, om zichvervolgens af te vragen: ‘Of wil je die rookwolk terugnaar het vuur brengen?’ Als ook de aan Pina Bausch ontleende oproep ‘Dans, dans, anders zijn we verloren, zwarte zon’ tevergeefs is geweest, wordt de omslag definitief.

    Met de komst van de leeuwen, die ongemerkt al zijn binnengeslopen in de eerste twee delen, lijkt verstilling in te treden. Vijf korte prozagedichten, eigenlijk allemaal variaties op de fabel van de wolf en het lam, laten de achteloosheid zien waarmee de leeuw, het zonnedier bij uitstek, de onschuld verslindt. De stilte is schijn: de leeuw, ogenschijnlijk lui, is meedogenloos. De lyriek is hier verdwenen,de auteur zelf ook. De naieve, simpele taal die de fabel eigen is, dient als aankondiging voor de retoriek in de laatste afdeling van de bundel. Deze cyclus, getiteld ‘Zonnebloemen’, begint met de vertaling van een fragment uit de monoloog van kolonel Kurtzin de film Apocalypse Now. Een huiveringwekkende tekst, waarin kinderarmpjes in de naam van ideologie worden afgehakt en op een hoop gegooid. De toon is gezet: webevinden ons op het niveau van strategie, iconen en mythevorming.Volgens de aloude regels van de mythologische vertelling, vermenigvuldigen zich de leeuwen en transformeren vervolgens:

    Aan land beginnen de leeuwen in hun manen op te stijven,
    (...)
    het lijf almaar dunner, stokkiger, op de kop verschijnen schubjes
    die verhardend zaden vormen, in spiraalvorm,
     
    duizenden zonnebloemen, met de kop naar het oosten gewend.

     

    In dit laatste deel wordt het procedé expliciet, dat zich inhet verloop van de bundel al aandiende. De ‘aangroeiende regels’ van het gedicht ‘SunArise!’, dat de vier afdelingenomsluit, zijn gebaseerd op een songtekst van de groep Phosphorescent. Het recyclen van tekst krijgt, in een andere vorm, een vervolg in de hervertellingen van de fabel van La Fontaine en de vertaling van de monoloog van Kurtz.Alsof de eigen taal niet meer toereikend is in het domein van massaliteit en manipulatie. Tenslotte gaat Verhelst nog verder: sommige gedichten zijn collages op basis van citaten, opgetekend uit de mond van politici als Bart de Weveren Thierry Baudet. De auteur thematiseert hun simpel taalgebruiken kiest daarbij impliciet voor het slachtoffer.Uiteraard is dit monteren van bestaande teksten nietnieuw; het vindt zijn oorsprong in ragpicking, de literaire methodiek die Walter Benjamin reeds signaleerdein het werk van Baudelaire en vervolgens zelf toepaste. Voor Verhelstlijkt het een nieuwe fase te zijn, die analyse en commitment naast zintuiglijkheid plaatst. Het leidt tot een complete bundel, meeslepend en overtuigend.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2019
    RecensentAnneMieke Vulkers
    Editie2020-1