Recensies

  • Xenomorf

    Jens Meijen
    Xenomorf

    Ondergang van de aardegegoten in persoonlijke poëzie

    ‘De aarde is stervende’, beweert het omslag van Xenomorf, het debuut van Jens Meijen (1996). Smeltende poolkappen, vervuilde oceanen en verontreinigde longen zijn ons deel en orkanen, bosbranden en genadeloze dictators gaan hand in hand. 

    Lijkt verdacht veel op het hier en nu, zou je zeggen. Een kunstenaar moet tegenwoordig nogal zijn best doen om een toekomstig schrikbeeld te creëren dat enige tijd houdbaar blijft. Waar tussen het schrijf- en verschijningsjaar van George Orwells 1984 nog een krappe vier decennia zaten, worden hedendaagse dystopieën genadeloos door de werkelijkheid ingehaald. Het tempo waarmee nieuwe uitvindingen, natuurrampen en  andersoortige plagen ons overspoelen, valt zelfs door de creatiefste geest niet meer bij te benen. En toch doet Meijen met Xenomorf– ‘alien’, maar ook: vreemdsoortigheid of de eigenschap van een kristal wanneer het een ongebruikelijke vorm heeft – een dappere poging. Daartoe begint hij bij de schepping van de aarde. In zijn openingsgedicht, dat in de titel verwijst naar het vijfduizend jaar oude Gilgamesj-epos, een van de eerste literaire werken uit onze geschiedenis, beschrijft hij het ontstaan van nieuw leven: van de bijbehorende letterlijke en figuurlijke ontplooiing tot de vergaring van taal. Alhier begint de ondergang: we verliezen onze woorden weer, eindigen ‘na duizenden jaren als primitief wezen/ oerwijs op een technorave,/ verdwaald in doorzichtig duister.’ 

    Geen plezierig mensbeeld – een beeld dat in de rest van de bundel blijft bestaan. Ook onze toekomst is grimmig: alles wat van ons overblijft, zo voorspelt Meijen, is plastic of digitaal. De archeoloog van de toekomst graaft geen mens op, maar ‘half beest half byte’.

    Een van de grootste gevaren van het genre van de toekomstvoorspelling is het risico op vingerwijzende doemdenkerigheid: de neiging de lezer op betweterige toon te wijzen op de dagelijkse rituelen – autorijden, lang douchen, afval niet scheiden –waarmee we onze eigen soort om zeep helpen.  Gelukkig raakt Xenomorf slechts plaatselijk aan de donderpreek: al snel wordt Meijens taal persoonlijker, minder doemdenkerig, bezingt zijn poëzie zelfs de liefde. Die is dan wel in puinsonnetten gegoten. Deze liefde heeft geen baat bij het menselijk voortbestaan, is volstrekt verdigitaliseerd. Zo raapt het lyrisch subject even later, op zoek naar de ander, moderne pixelkruimels op: ‘Ik volg je spoor aan de hand/ van de wifiverbindingen/ waar je steeds maar inlogt’. 

    De technologie laat de liefde maar niet met rust: zelfs op de hoogste bergtop weten deze ik en jij zich achtervolgd door klingelende ringtones en de behoefte aan fotogenieke poses voor op Instagram. De specht in ‘Een Back to the Future-remake in 2040’ weet het goed gezegd: ‘het is heel menselijk om jezelf langzaam/ langzaam zachtjes/ zachtjes fluisterend/ uit te roeien’.

    De kracht van Meijens bundel zit hem in de afwisseling tussen het grootse perspectief van de aarde die onder onze voeten afbrokkelt en het persoonlijke van de kwetsbare herinnering. Een terugkeer naar het geboortedorp plaatst ons weer met beide benen terug op de aarde. Ook op zulke momenten verlaat dat wereldse perspectief de ik echter niet: ‘een ontwrichte wereldverdient geen mooie dingen’, horen we hem denken. Niet voor niets hield hij op zijn zesde al een spreekbeurt over de ondergang van de wereld: het beeld van het einde ter tijden ziet hij overal.

    Een brede visie op de geschiedenis en de ontwikkeling van onze planeet laat zich afwisselen door ankerpunten in de huidige tijd: Meijen verwijst even graag naar Harry en Meghan als naar ‘Toxic’ van Britney Spears. Daarmee is de bundel soms misschien wel te zeer op de actualiteit gericht: influencers en personal trainers weten zich vergezeld van avocado-eters en BLOFs ‘Zoutelande’. Dat neemt niet weg dat de zinnen zich laten neuriën onder je ogen. Jens Meijen schreef met Xenomorf een lyrische bundel, die zowel het grote als het kleine bezingt.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2019
    RecensentAnne van den Dool
    Editie2020-1