Recensies

  • Zuurstofconfetti

    Elma van Haren
    Zuurstofconfetti

    De vuilnis buiten zetten

    De nieuwe bundel van Elma van Haren is opgebouwd uit drie delen, genaamd Bloemistengrond, Hoefschrapend Hart en Zuurstofconfetti. De titels van die delen helpen iets om greep te krijgen op de inhoud. In Bloemistengrond wordt veel in de aarde gewroet, ‘aanplant vertrapt, broedsel het nest uit/ karrenspoor hard, een korst op de aarde’. Er is tijd te over, zoveel dat er angst op de loer ligt voor verspillen en vermorsen. ‘Gisteren bijvoorbeeld dacht ik niet aan eergisteren./ Gisteren dacht ik er niet aan’. Er is een ik-verteller aan het woord die het niet kan vinden, nergens, en die intensiteit van onrust wordt voortgezet in de tweede afdeling, die een nog snakkender ondertoon heeft. ‘Wat moet ik, minnaar zonder beminde?’ Vaak is er iemand die wordt aangesproken, toegeschreeuwd: ‘Zo makkelijk kom je niet weg!’ In het gedicht ‘Scala, score, punt’ lijkt het alsof iemand, een ‘ik’, zich wapent tegen een ander, een ‘jij’. Tevergeefs, want die ander paradeert in vol ornaat, waar de ik in mistroostigheid achterblijft. ‘En terwijl jij met één vingerknip/ de wolken jankend als doedelzakken weg laat zeilen,/ als boompjes vrouwen verwisselt onder de stralende zon,/ loop ik verdoofd in mijn kleur van minestrone.’ In het titel- en tevens slotdeel gaan op een bepaalde manier de remmen los. Niet per se met feestelijk resultaat, eerder komt er woede vrij, chaos, gekte. ‘Wie niet luisteren wil moet voelen,/ en dat gevoel, mevrouw/meneer,/ kan worden opgerekt./ Bovendien: als u niet wil zien, zult u door ijzig braille/ worden gebrandmerkt.’ Het zijn regels uit het gedicht ‘Stretchdesign’, dat blijkens de aantekeningen achterin te maken heeft met de Amerikaanse schrijver en antropoloog Carlos Castaneda, die onder invloed van hallucinerende middelen schreef over spiritualiteit.

    De poëzie van Van Haren is eerder hallucinatoir dan spiritueel te noemen. Haar zinnen zijn onbegrensd en grillig, haar woorden groot en nogal eens woordspelerig (‘je kunt met haar goed appeltjes schillen voor de dorst’), haar beelden idiosyncratisch en alleen te peilen voor de meewerkende lezer. Het is aan die laatste om met haar af te dalen in haar wereld, die getekend wordt door kleuren, beesten, seizoenen, bloemen. Ze hamert haar gedichten de ruimte in, ‘Ja, laat het koolzaad maar tieren overal!’ In ‘Zoet water zout’ is de strijd met het alledaagse die ik in bijna ieder gedicht proef, het meest letterlijk op de voet te volgen. En als het oog hier eenmaal voor geopend is, komt er ook iets lichts tussen de regels door kieren, iets zacht spottends. Puntsgewijs, met A, B, C en D, toetst de ik voortdurend gedachte aan realiteit. ‘A) Denk je net: Hé wat een prachtige balans!,/ snerpt het zonlicht zijn guillotine naar beneden’; ‘B) Denk je: Ha, eindelijk!/ Het koordansen onder de knie!,/ blijkt honingdenken veel te ver van huis.’; enzoverder. Niets volgens de regelen der logica, wel volgens de regelen van een springerig dichtersbrein dat zich dient te verhouden tot die immense en door razende Umwelt. De kleuren

    kunnen nog zo schitterend zijn – ‘onder de huid borrelt frambozenlimonade’ – , maar de vuilnis moet wel op tijd buiten worden gezet. ‘Steeds vozer broeit daar een toegang naar/ zulk een bodemloze diepte,/ dat het denken er niet onder komen kan.’

    De toon van deze weerbarstige bundel blijkt achteraf gezet in het korte gedicht dat schuingedrukt dienst doet als proloog, ‘Nu’ getiteld. Een kernachtig en sterk gedicht waarin het wuivend ik zich ondanks zichzelf opricht, kenbaar maakt, en zich bereid toont er dan maar wat van te maken, van dit bestaan. Het is een gedicht dat bij iedere lezing blijkt te kunnen groeien, een voorbode van wat komen gaat.

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2018
    RecensentMarja Pruis
    Editie2018-2