Recensies

  • Geboorte

    Christine D'haen
    Geboorte

    Zijdelings zelfportret

    Christine D’haen was de eerste vrouw die de Prijs der Nederlandse Letteren won in 1992. In het jaar dat de tweede, en vooralsnog enige andere vrouw de prijs kreeg toegekend (Hella Haasse), bundelde D’haen haar autobiografisch proza onder de titel Uitgespaard zelfportret (2004). De autobiografische gedichten die D’haen in de periode 1977-1983 schreef en die nu postuum zijn verschenen in Geboortepreluderen op die memoires, schrijft Paul Claes in zijn verhelderende nawoord.

    In Claes’ aantekeningen bij de negentien gedichten die Geboorte bevat, worden veel van die autobiografische verbanden geëxpliciteerd. Zo blijkt de scène waarin de ik-verteller in de banken van een schemerig klaslokaal voor het eerst de kracht van poëtisch ritme ervaart aan de hand van het gedicht ‘Het avondlandschap’ van Jan Beers ook een belangrijke eerste kennismaking voor Christine D’haen te zijn geweest, getuige Uitgespaard zelfportret. Toch is de overlap tussen tekst en het leven van de auteur wat mij betreft van weinig belang voor de werking van de gedichten in deze bundel. Om bij het zojuist genoemde gedicht te blijven: dit opent – nogal bevreemdend – door ‘Het avondlandschap’ (zonder referenties of aanhalingstekens) te citeren. Pas als je de pagina omslaat en leest ‘Dit stond, voluit geschreven, aan het schoolbord’, word je ineens naast de ik-verteller in de schoolbank geplaatst. En net als zij ervaar je plotseling hoe je perspectief wijder wordt: ‘Plots was alles anders: ’t koerke, muurke,/ de kleine menskes werden overvleugeld/ door een groot open waaien, lucht,/ wolken en wind, zon, maan en sterren/ ontstonden. Dampende rotsen!’

    Deze poëtische ervaring is een van de vele (her)geboorten die in de bundel worden beschreven. Andere ervaringen betreffen ondermeer het lichamelijk geboren worden, de ontdekking van de seksualiteit (mooi voorgesteld als ‘Ik keek in de Roos en werd ontsteld/ Daar lag een schaduwende diepte (...)’), het zelfstandig worden (‘Surgam et ibo, weg van ’t vaderhuis/ en naar mijzelf. Een stad’, of ook: ‘Vaders/ weten den weg niet; slechts een eind weegs/ kennen zij, en men moet ze daar verlaten.’), de liefde en de onmogelijkheid daarvan (‘samengelegen, maar niet voor elkander’) en tot slot de vergankelijkheid, de dood. De algemene, welhaast allegorische dimensie van de gedichten wordt onderstreept door de vele intertekstuele verwijzingen naar teksten uit de Westerse canon: in het ‘Surgam et ibo’ valt een bijbelse verwijzing naar het verhaal van de verloren zoon te herkennen, in het existentialistische gedicht dat opent met de regel ‘Tussen niet-zijn en zijn strekt zich het leven uit’ vinden we een variatie op Hamlet, het middeleeuwse verhaal van Mariken van Nimwegen wordt aangehaald en verderop worden vier strofen van Baudelaire geciteerd. Biografische anekdotes worden zo niet alleen gekoppeld aan het cyclische verhaal van menselijke ontwikkeling (de bundel toont een chronologische lijn van geborene, tot kind, tot volwassen vrouw, beminde, echtgenoot, moeder), maar ook ingeschreven in een groter, tijdloos lichaam van teksten.

    Met name dit aspect maakt dat ik mij moeilijk kan vinden in de stelling op de achterflap dat de dichteres ons hier ‘een prangende inblik in haar persoonlijkheid’ biedt. Voor mij blijft D’haen verborgen. Het zelfportret wordt niet ingevuld, maar, inderdaad, uitgespaard. Wat dat betreft is Geboorte denk ik vooral interessant voor degenen die het werk van D’haen goed kennen, met name haar bundel Mirages (1989) en haar autobiografisch proza. Door deze gedichten met nawoord en aantekeningen uit te geven, maakt de bundel nieuwsgierig naar het verdere oeuvre van D’haen en dat lijkt mij een verdienste. Of dit werk daarmee ook, zoals Claes hoopt, leidt tot een ‘wedergeboorte van een dode dichteres’ blijft vooralsnog open.

    UitgeverPoëziecentrum
    Jaartal2016
    RecensentMarieke Winkler
    Editie2016-3