Recensies

  • Kwaad gesternte

    Hannah van Binsbergen
    Kwaad gesternte

    Eerbied voor het moment

    In 2013 sprak Hannah van Binsbergen haar kleine poëtica uit in opdracht van Perdu. Ik was daar bij, en herinner me vooral dat ik onder de indruk was van Van Binsbergens beheersing en rust bij de voordracht, en van de humor en lichtheid die in haar gedichten zaten, maar die een duistere ondertoon benadrukten. Drie jaar later is daar Kwaad gesternte, een bundel met 31 gedichten.

    In eerste instantie lijkt er een structuur te zitten in de opbouw van de bundel: de eerste 26 gedichten worden opgedeeld in twee keer twaalf gedichten met twee centrale teksten in het midden. De bundel wordt afgesloten met vijf ‘Correspondenties’, waarin al het voorgaande aan elkaar geknoopt wordt. Maar dan, bij tweede lezing, blijkt de tweede reeks van twaalf gedichten uiteen te vallen in weer twee, ditmaal ongelijke, reeksen.

    Wat mij betreft is dit kenmerkend voor Van Binsbergens debuut: is er nu wel of niet sprake van een regelmatige structuur? Dient deze bundel van kaft tot kaft gelezen te worden, als een roman, of kun je ook kriskras door de bundel dwalen? In het eerste gedicht verwijst Van Binsbergen al naar haar ‘onverstuurde brieven’, waarmee ze op de correspondenties aan het eind lijkt te doelen. Daar krijgen de brieven echter een tweede betekenis:

     

    Het spijt me zo dat ik de onverstuurde brieven ben verloren
    aan de fatsoenlijke man die ik liefhad als tiener
    
(ik wilde hem vernietigen want ik wilde dat hij ontkwam)
    aan de liefde van mijn vroege leven en degene
    voor wie ik zoveel werk verricht heb.

     

    Hier zijn de onverstuurde brieven een afscheid van de jeugdigheid, een veel voorkomend thema in de bundel, samen met de vergankelijkheid, zonder dat de bundel als geheel daar echt over gaat. Bij iedere lezing lijken de gedichten opnieuw betekenis te krijgen. Dit maakt de leeservaring heftig (dit is geen bundel die je in één ruk uitleest), maar ook verdiepend – in zekere zin kun je deze bundel lange tijd achtereen lezen.

    In haar kleine poëtica (na te lezen op het online platform Samplekanon) vertelt Van Binsbergen over haar obsessie voor objecten:

     

    [M]ijn gedichten zijn afgeladen met dingen, hijskranen,
    rottend vijgenbrood, centraal geplaatste tafels,
    altaarstukken van de keuken, om maar een dwarsstraat
    te noemen, maar de eerbied die ik daarvoor heb, is niet
    een vertederde liefde voor het kleine, maar een
    verpletterende angst voor het moment dat er iets
    gebeurt wat niet kan.

     
    Dat moment, hét moment, speelt een grote rol in de bundel. In ‘Voorspellingen van Julia en Sylvia’ wordt teruggekeken op een jeugd waarin het mystieke niet geschuwd werd. Het gedicht draait om één specifiek moment, dat zich op verschillende momenten lijkt af te spelen: in een grasveld, aan de rivier, op vrijdagavond. De ik-persoon zoekt vergeefs naar een verband.

    Dat verband is er niet, de ik-persoon in deze bundel is een zoekende twintiger die zich net zo verbonden voelt met haar jeugd als met haar toekomst, maar die zoekt naar het leven in dit moment. Hoort ze bij een bepaalde generatie, en zo ja, hoe zou het leven er dan uit moeten zien? Die zoektocht levert boeiende poëzie op, en een veelbelovend debuut. Van Binsbergens poëzie is complex, maar niet particulier, en wil zich bemoeien met de rol en betekenis van literatuur en poëzie in het dagelijks leven. Op meerdere plekken in de bundel bevraagt Van Binsbergen het nut van haar werk. ‘nu is ook nu’ opent met: ‘Ik weet nog niet waar ik aan werk/ ik hoop dat het iets nuttigs is’, om af te sluiten met:

     

    soms valt er iets te winnen

    (ik hoop dat het iets nuttigs is)

    soms laat ik mensen proeven van mijn zweet
    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2016
    RecensentKim van Kaam
    Editie2016-3