Recensies

  • Daedalea

    Tomas Lieske
    Daedalea

    Geëngageerd stemmenspel

    Tomas Lieske is met Daedalea een andere weg ingeslagen. Nog altijd is er een hang naar historische en culturele onderwerpen in zijn gedichten en opnieuw wordt de liefde bezongen, maar ditmaal is de bundel uitermate geëngageerd, waarmee ik niet wil zeggen: moralistisch. Dat engagement krijgt vooral gestalte doordat Lieske het zoeklicht richt op en het perspectief kiest van een minderheid. In Daedalea volg je een groep van acht dakloze Afrikanen in Parijs, zoals je die (vooral vanwege het publieke toilet aldaar) wellicht ook rondom het reeds diverse malen ‘schoongeveegde’ metrostation Stalingrad zou kunnen tegenkomen.

    Anders dan eerder werk bevat Daedalea geen (reeksen met) losse gedichten, maar is de bundel een ‘vertelling in gedichten en prozagedichten’, al is wellicht evengoed te beargumenteren dat we te maken hebben met een theatertekst, afgaande op de ondertitel van Daedalea: ‘Acht klonkies voeren een stemmenspel op onder regie van Keto Stiefcommando’ én op sommige elementen uit dit spel. Het maakt echter niet uit hoe je de bundel demarqueert, literatuur is bij uitstek bij grensoverschrijdingen op zijn best. Wat Daedalea nog maar eens onderstreept; het is een werk om niet aan voorbij te gaan.

    Wie Keto Stiefcommando is, is wordt niet duidelijk. Hij is weinig aan het woord en er wordt maar weinig aan hem gerefereerd. Als hij wel aan het woord is, spreekt hij Zuid-Afrikaans, dus we weten waar hij vandaan komt. Ook weten we dat hij onlangs uit de dood is opgestaan. De schepper van dit verhaal is daarmee op een bepaalde manier een soort heiland – light, want anders dan het creëren van het stemmenspel verricht hij geen wonderen.

    Keto laat in zijn stemmenspel acht klonkies, mensen die wit noch zwart zijn, aan het woord. Soms krijgen ze, met name daar waar de bureaucraten worden opgevoerd, een nummer. Maar ook roept deze numerieke anonimiteit onwillekeurig het gevoel op dat het hier om een koor gaat zoals we dat uit tragedies kennen, dat vanaf de zijlijn commentaar geeft op de verwikkelingen. Meestal echter hebben de klonkies een naam.

    Van de klonkies die Keto in zijn stemmenspel opvoert is Imker Graat de belangrijkste: ‘Ek is uw verteller; ek is de gomhars van de verschillende taferelen’ – meteen is duidelijk dat Graat ook van Zuid- Afrikaanse afkomst is. Graat wordt bijgestaan door Damn Good Memory. Het is ook Graat die de andere sprekers introduceert. Zo is daar Mosje, de hoofdpersoon van het stemmenspel, die verliefd is op Sua Vecito, de dochter van de Farao. Daarnaast zijn er de zusjes Arabia Felix en Merci Merci, beiden prostitué, en de Malinees Hercuul.

    Je voelt het op basis van die namen al enigszins aan: het verhaal van het harde leven op straat, de op karton slapende kinderen, de straatverkopers met nep-merkhorloges, de ‘dronkaards, bedelaars, clochards/ met hun doorgerotte enkels en benen’ wordt vermengd met het verhaal van Mosje (een soort Mozes) die met zijn volk uit Egypte vlucht. Arabia Felix en Merci Merci zijn in die hoedanigheid dienstmeisjes aan het hof van de Farao, waar Mosje dankzij Sua Vecito een bevoorrechte positie heeft, tot hij door Sua Vecito’s vader wordt verdreven.

    De vermenging van beide sferen, die van het straatleven in Parijs en die van de uittocht uit Egypte, krijgt soms vrij plastisch gestalte. Het sterven bijvoorbeeld van een doodzieke Pakistaan voor de ingang een slagerswinkel, ‘krimpend van de pijn,/ zonder enig besef van wat boven en onder is, de uitstalling/ van kippenmagen, lamslever en geitenkop trotserend’ waarboven de slager voorbijgangers te hulp roept en driftig beduidt ‘dat zijn klanten schrikken van de Pakistaan./ Dat zo’n half lijk de trek in vlees wel zeer verpest’ gaat gepaard aan de massale verdrinkingsdood van de Egyptenaren wanneer het water van de Schelfzee hen van weerszijden verzwelgt tijdens hun aanval op de wegvluchtende Joden.

    Gespiegeld aan onze tijd, gaan in de bundel een aantal interessante elementen relaties met elkaar aan. De uittocht van de Joden wordt verbonden aan de intocht van de vluchtelingen en emigranten in het ‘beloofde land’, Europa. Nu zijn het niet de Joden die vluchten, maar is het iedereen die voor gevaar vlucht of hoopt op een beter leven. Het bij die vlucht dreigend aanwezige gevaar op de verdrinkingsdood geldt niet voor de geweldenaars, maar voor de zwakken. Ook wordt de botsing tussen de vluchteling of emigrant in de marge en de zich in het centrum bevindende macht invoelbaar gemaakt.

    De gedichten en hun analogieën in Lieske’s bundel bieden ruimte voor de lezer om zich te kunnen verhouden tot de vluchteling, maken ruimte voor empathie. Dergelijk engagement lijk je steeds vaker in poëzie terug te zien. Neem Onder normale omstandigheden van Frank Keizer, Tsead Bruinja’s Binnenwereld buitenwijk en recentelijk Ontsnappingen van Eva Gerlach. Als poëzie een pols aan de tijd is, dan is er hoop, tegen de verharding van de samenleving in. Met Lieske worden we zachter.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2016
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2016-3