Recensies

  • Ik wil de hemel en ik wil de straat.
 Poëzie en trawanten

    Luuk Gruwez
    Ik wil de hemel en ik wil de straat.
 Poëzie en trawanten

    Toetje Olifant

    Luuk Gruwez is te jong om zijn testament op te maken (hij is van 1953, reken maar uit) maar Ik wil de hemel en ik wil de straat leest wel een beetje zo. Dichter maakt de balans op, of zijn lades leeg. Dit is een beginselverklaring en een proeve van praktijk ineen. ‘Ik heb een poëzielandschap willen schetsen dat samenvalt met mijn bestaan tot dusver,’ schrijft hij in zijn inleiding. ‘Het is niet volledig, het is veeleer een soms wat willekeurige staalkaart.’

    In vier afdelingen heeft hij dit landschap verdeeld; het grootste onderdeel wordt gevormd door recensies van dichtbundels en brieven aan dichters van de afgelopen twintig jaar. De interessantste stukken staan daarvóór, vind ik. Hierin plaatst Gruwez zichzelf als dichter ten opzichte van zijn collega’s en geeft hij tekst en uitleg over wat hem voedt, inspireert, uitdaagt. Ook laat hij zien waar hij vandaan komt, wat hij vroeger las, wat hem dreef.

    Voor wie? Waarvoor? Die vragen komen onwillekeurig op bij een bundeling als deze. Ik zou me er niet aan durven wagen om Gruwez op de een of andere manier een plaats in de rangorde te geven, maar er wringt iets. Niet alleen bij mij, als ik het werk lees, maar ook in de stukken zelf. Er is ootmoed, want ‘maar een dichter’, en er is tromgeroffel, want ‘een dichter’. Een dichter die naar zijn smaak niet altijd even goed begrepen is, en nu de gelegenheid te baat neemt zijn thematiek toe te lichten. Een dichter ook die zich in de hedendaagse cultuur bedreigd voelt in zijn métier, en zich zorgen maakt. Over het poëtisch bedrijf in het algemeen, en dat van hemzelf in het bijzonder. ‘In mijn zwartgalligste momenten heb ik grote twijfels over het voortbestaan van het hele poëtische bedrijf en vrees ik, hoe dan ook, dat het meer en meer zal ontaarden in een bespottelijke curiositeit’, schrijft hij in een brief aan Hugo Brems. Om even later te schrijven: ‘O, ik wil wel blijven schrijven, ook als het nutteloos is’.

    In de brieven aan collega’s is er sprake van nogal wat nostalgisch terugblikken. Het is niet onsympathiek, maar het is ontegenzeggelijk ook een beetje oubollig. Gruwez wil geen underdog zijn, maar dit beestje lijkt wel vaak de kop op te steken. En dan schrijft Gruwez ook nog eens vrij omslachtig, met veel te veel ontzag voor zijn eigen vondsten, over ijle luchten waarin schrijvers uiteindelijk zullen komen te wonen, ‘onaantastbaar en superieur’. Dit zijn de slotwoorden van overigens een van de beste stukken in de bundel, ‘Koeiebellen’, over de mysterieuze schrijfster Loeki Zvonik, die midden jaren zeventig een debuutprijs won. Ik had eigenlijk nog wel meer over haar willen horen.

    In de afdeling met de lelijke titel ‘Pizza Peperkoek’ heeft Gruwez zijn beginselverklaringen op een rijtje gezet. Hoe ziet hij als dichter zichzelf bijvoorbeeld permanent wedijveren met een dreigende stilte? ‘Bij overdrijving zou je kunnen stellen dat alles wat ik doe een vorm van confrontatie met haar is.’ In de achtereenvolgende korte beschouwingen rijst het beeld van een introverte dichter die boven alles streeft naar perfectie. Voor zover er sprake is van een iets verder reikend engagement met de wereld, gaat die richting ‘mislukte mensen’, ‘dikke mensen’, die ook zo hun verhaal hebben. Het is niet per se een aantrekkelijk beeld van de dichter dat hij tussen de regels door neerzet. Ken ik van andere mannelijke dichters het verlangen de meisjes te betoveren met hun regels, Gruwez lijkt zich erbij te hebben neergelegd dat hij het van ‘de oude vrouwtjes’ moet hebben. Het kan een mystificatie zijn van de dichter als nergens- voor-deugende-figuur, maar als ik de bekentenissen voor waar aanneem dan is Gruwez dichter geworden uit arremoede. Hij kwam er al op jonge leeftijd achter geen enkel talent te hebben om ergens anders in te excelleren. Bijkomend voordeel van het dichterschap was dat het de waarborg leek te bieden voor een eeuwigdurende jeugdigheid: ‘Dichters die zichzelf een beetje respecteren, behouden hun jeugdpuistjes tot zij hoogbejaard zijn, er zelfs dan nog van overtuigd dat elk nieuw gedicht dat uit hun pen vloeit eigenlijk hun debuut is.’ Alleen jammer dat de poëzie, ‘een rare hobby’, op de lange duur niet bevorderlijk is voor het welbevinden van haar schepper; altijd tobbend, starend, neuspeuterend. De kunst die hij voortbrengt is een vorm van gecamoufleerd of gesublimeerd opbiechten.

    De dichter is bij Gruwez de nietsnut die een manier heeft gevonden om thuis te blijven, met zichzelf bezig te zijn, nooit echt ergens aan mee hoeft te doen en met geregisseerde angst leeft. Alleen in zijn precisie en zijn ambachtelijkheid vindt hij troost. Én in het feit dat hij ingrediënten bijeenbrengt van wie niemand had kunnen denken dat ze met elkaar gecombineerd konden worden. Bij mij thuis heet zoiets een Toetje Olifant, in het werk van Gruwez is dat die Pizza Peperkoek. Over de eetbaarheid daarvan lijkt de dichter zich vreemd genoeg dan weer geen zorgen te maken.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2016
    RecensentMarja Pruis
    Editie2016-3