Recensies

  • Dwalmgasten

    Dwalmgasten

    Een kort moment van helderheid

    Er verschijnen maar weinig bundels waar ik me direct bij voorstel hoe een verfilming eruit zou zien. Bij het lezen van Dwalmgasten, de derde bundel van Mischa Andriessen, is die gedachte onontkoombaar. De gedichten zijn geschreven als (doorgaans relatief korte) filmscènes. Andriessen weet hoe hij met een paar regels een beeld, een sfeer moet schetsen. En hij weet zijn lezer met een subtiele wending op het verkeerde been te zetten. Met zijn twee eerdere bundels heeft hij aardig wat prijzen binnengesleept en dat is niet voor niets. Maar hoe zet hij die vervreemdende beelden, die onheilspellende sferen, in?

    Dwalmgasten, dat doet denken aan Alfred Schaffers Dwaalgasten (2002) en het motto van Ovidius (‘Heet het dwaling als een man verdwaalt?’) wijst ook in die richting. Het woord ‘dwalm’ is volgens het Etymologisch Woordenboek verwant aan ‘dwaal’, met het verschil dat ‘dwalm’ ook als scheldwoord kan worden gebruikt voor iemand waar weinig leven in zit (denk ook aan ‘bedwelmen’). Dit woord wordt dus verbonden aan het woord ‘gasten’, mensen dus die zich op een voor hen vreemde plek bevinden.

    De titel duidt kortom goed wat er in deze bundel gebeurt: de meest uiteenlopende personages bevinden zich op de meest uiteenlopende plaatsen in de meest uiteenlopende tijden. We bevinden ons het ene moment in de Metamorfosen van Ovidius, het andere in de Eerste Wereldoorlog. We treffen de personages dikwijls op een moment waarop ze hun eigen situatie met een zekere bevreemding bezien. Een kort moment van helderheid, zou je kunnen zeggen.

    Het gedicht ‘Of ik Charlie ben’, dat natuurlijk verwijst naar de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, is illustratief. Het gedicht is eigenlijk te tam voor het heftige decor. De ik-figuur kruipt onder het bureau vandaan en begint op een vel papier notities te maken (‘dat beeld, die film, de vader’). Dan ziet hij als een soort geestverschijning ‘het lijk, de man die zich niet heeft bedacht’ onder een ander bureau vandaan kruipen:

     

    Weet je wie dit begonnen is?
    
Ik kijk hem niet-begrijpend aan.

    Charlie, zegt hij, je weet toch.

    Ik wil opstaan, zeggen: Charlie dat ben ik.
    Je bent bang, zegt hij, ik zie
    het
wat een geluk dat je verstandig bent.

     

    Meer nog dan in zijn vorige bundels is Andriessen in Dwalmgasten op een onpersoonlijke manier persoonlijk. Hij signaleert het probleem daarvan: het moment (in dit geval: de aanslag) is nog maar net voorbij of hij begint notities te maken – hij neemt afstand. Veel schrijnender dan op de redactie vanCharlie Hebdo wordt die reflex niet. Daar staat tegenover dat de ik-figuur in leven is gebleven, terwijl ‘de man die zich niet heeft bedacht’, die als een soort spiegelfiguur wordt opgevoerd, een ‘lijk’ is geworden. De dialoog leidt het gedicht vervolgens naar een (nogal diffuus) maatschappelijk statement.

    Lucebert dichtte eens: ‘dit gedicht schaamt zich gedicht te zijn’. Zo is ook, zou je kunnen zeggen, ‘Of ik Charlie ben’ zijn eigen probleem. Dat probleem is het probleem van de poëzie: tot aan het belachelijke aan toe kan het alleen reflecterenop wat er gebeurt. Het staat altijd naast het leven. Dat is een probleem voor wie wil dat poëzie in bijvoorbeeld de beschreven situatie een verschil kan maken. Andriessen is zo’n dichter. ‘Wat is die neiging tot verzinnen?’ schrijft hij wanhopig in ‘Solitude’. Het is het probleem waar dichters al een literatuurgeschiedenis lang mee worstelen. Ook Andriessen komt er in zijn Dwalmgasten niet uit. Maar hij stelt het wel op een heel pregnante manier aan de orde.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2016
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2016-3