Recensies

  • Ontsnappingen

    Eva Gerlach
    Ontsnappingen

    Het ziet er niet uit als een laken

    Eva Gerlach is al sinds 37 jaar een aangename constante in ons taalgebied: sinds haar overrompelende debuut in 1979 verschijnt er zo om de paar jaar een nieuwe bundel, en altijd is het werk spannend en op een subtiele manier grensverleggend. Het aandachtspunt in het oeuvre van Gerlach is sinds het begin waarneming en herinnering (een vorm van innerlijk waarnemen) en de weergave daarvan in taal. In de loop van de tijd zijn haar gedichten daarin abstracter en gewaagder geworden: eventuele concrete aanleidingen uit de werkelijkheid of het leven zijn minder herkenbaar, de taal avontuurlijker.

    Gerlach maakt het zichzelf en de lezer niet altijd makkelijk: balanceert op de grens van het begrijpelijke, en verlegt haar eigen grenzen ook voortdurend, door onderwerpen of formuleringen te kiezen die spannend zijn doordat ze onbegaan of onherbergzaam terrein betreffen, en unheimisch zijn, zoals in: ‘je hoorde glas knarsen tussen je hersenen maar alles was er nog’. Geheel terecht ontving ze in 2000 – als jongste laureaat ooit, 52 jaar oud – de P.C. Hooftprijs voor haar poëtische oeuvre.

    Gerlachs nieuwste bundel, Ontsnappingen (door vormgever Steven van der Gauw op het omslag subtiel in tweeën gebroken voor de meerduidigheid: ontsnappingen), is wonderschoon en bevestigt opnieuw de hoge kwaliteit van haar werk, de fijngevoelige waarneming van de wereld die ze zo trefzeker en tegelijk tastend in taal weet te vatten. Vertrouwde elementen als waarneming (‘Het veld verschuift terwijl je wordt gereden. Dichtbij sneller dan ver’) en herinnering zijn al meteen volop aanwezig; na drie pagina’s is het woord ‘herinnering’ al tweemaal gevallen – de tweede keer prompt gevolgd door: ‘aan alle kanten ritselt vergeten’.

    Ook herkenbaar zijn de bondige en krachtige regels, zoals: ‘en ik denk aan je als aan een woord dat ik bijna weet’ of ‘Alleen wie nooit iets weet tekent hoe alles moet’. Het knappe aan het werk van Gerlach is dat ze in zo weinig, en in zulke haast achteloze woorden zoveel weet te zeggen. In deze bundel is een mooi voorbeeld daarvan het reeksje ‘voet’, bestaande uit vijf korte gedichten, terugtellend genummerd van 5 naar 1. Dan weet je als lezer al dat er naar een einde wordt afgeteld. Dit reeksje is geheel metrisch en rijmend, wat in dit geval niet ouderwets overkomt, maar juist de tijdloosheid versterkt: alsof er richting de dood houvast gezocht wordt, en experimenteerdrang voor even terzijde kan. Wie kan zoveel zeggen in zo weinig woorden, als Gerlach in dit gedicht:

     

    Zo stonden we oog in oog samen,
    zwijgend, verwisselbaar.
     
    Voor ze je lieten slapen
    keken we zo naar elkaar.

     

    In eerdere bundels wekken haar meer gedurfde, minder herkenbare gedichten vanwege de eigenzinnige benadering weleens vervreemding, en daarmee afstand. Daar is in deze bundel zo goed als geen sprake van, op een enkel moment na, in een typisch Gerlachiaans elliptisch begin als: ‘Draadnagel door het gangpad’. Huh? denk je dan als lezer. Maar door een beetje goed (door)lezen kun je je algauw oriënteren en tekent zich een bepaald type mens af: ‘losse slaapzak languit over zijn rug, bakpan aan zijn vrije hand’. Ook in de reeks ‘Meneer Touba’ belandt de lezer in een raadselachtige wereld die misschien even bevreemding of irritatie kan wekken. Maar ook hier geldt: doorlezen en goed kijken.

     

    Meneer Touba (‘geen leven zonder problemen,

    geen probleem zonder oplossing’) staat als een rots in de tijd
    roept mijn moeder. Hij zingt U bent schaduw
     
    zwevende grond ik bind u. Zo mooi! En dat erge vergeten
    
dat zijn de geesten, die eten mijn hoofd leeg. Voor duizend contant
    maakt hij me nieuw, neem je dat straks voor me mee?

     

    In deze reeks worden uitspraken en gedragingen van een exotische, helderziende probleemoplosser vermengd met een moeder die de grip op taal en de herinnering aan het verliezen is. Door deze reeks ‘Meneer Touba’ te noemen wordt het precaire onderwerp van de zieke moeder die steeds dichter bij de dood komt op een zeer eigen manier overgebracht, en invoelbaar gemaakt zonder pathetisch of topzwaar te worden. ‘Meneer Touba’ staat zo op een uiterst originele manier voor de tragiek van ouderdom en dood, voor dingen die níet op te lossen zijn, hoe graag we dat ook zouden willen.

    Indrukwekkend is ook de reeks ‘geen ding’, gebaseerd op nieuwsuitzendingen en youtube-video’s over kinderen in de Syrische burgeroorlog. Gerlach laat zeer overtuigend zien dat een schrijver wel degelijk verdomd goed geëngageerd kan schrijven over schrijnende actualiteit, wat (te) zeldzaam is. Een AK wordt door een kind beschouwd als ‘mijn broertje van staal’. Huiveringwekkend, maar toch subtiel beschreven:

     

    Mijn broer is zo groot als ik maar ik hou hem goed vast
    op mijn schouder waar hij kan slapen
     
    en het raam van mijn oom staat open, op het balkon
    
bolt een laken op en het waait niet en niemand daar hangt
     
    was aan de lijn, dus ik schiet en

    het valt op de grond, het ziet er niet uit als een laken.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2016
    RecensentKiki Coumans
    Editie2016-3