Recensies

  • Bladgrond

    Roland Jooris
    Bladgrond

    Geen bladgoud

    Bladgrond is geen bladgoud. Wie bladgrond als titel kiest, wijst klinkklank af en heeft het wezenlijke van de poëzie, de grond van het blad, op het oog. Bladgrond is bovendien geen tender button, geen beloftevol lenteknopje, maar aarde gemaakt van vergane bladeren, of vruchtbare vergankelijkheid. Bladgrond is de recentste bundel van Roland Jooris, die zestig jaar geleden debuteerde met het in eigen beheer uitgegeven gitaar. tien chansons. Hoe pak je dat aan, het lezen van een nieuwe bundel van een ancien? Hoe plaats je dit dertigtal gedichten dat zijn poëtica deelt met Richard Minne, Paul Van Ostaijen en Roger Raveel – coryfeeën van de Vlaamse poëzie en schilderkunst uit de vorige eeuw – in het hier en nu?

    De gedichten zelf ambiëren niet onmiddellijk veel hedendaagsheid; serietitels als ‘tweevoud’, en ‘dwars’ geven aan dat hier koppig wordt verdergewerkt aan een project. Over Jooris’ oeuvre schreef Geert Buelens in Van Ostaijen tot heden(2001) dat hij de taal en de werkelijkheid poogt te doen samenvallen zonder naïviteit of defaitisme; in het dwars mislukken van die poging of het omarmen van tweevoud vindt Jooris de poëzie. Het beeld van de duif en de kooi dat hij in de jaren ’70 van de vorige eeuw bewonderde bij Raveel, en waarin je de onmogelijkheid kunt lezen het ongrijpbare te vangen, keert in de nieuwe bundel terug in het lichte blad en de wenkende grond. In de herfst zal de grond zich het blad toe-eigenen, maar niet het lichte, groene ruisen ervan. Zoals in Jooris’ eerder werk staat in Bladgrond dus de spanning tussen concreet en abstract, of tastbaar en ontastbaar, centraal.

    Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Tafel’. Geen ding zo alledaags, geen vorm zo concreet als een tafel. In al die eenvoud is het natuurlijk een met symboliek beladen object: al eeuwenlang wordt er aan tafels vergaderd, brood gedeeld, vertrouwen gegeven, verraad gepleegd. Precies omdat niemand kan ontkennen dat een tafel een vorm is die iedereen kent, wordt het in de abstracte filosofie bovendien soms gebruikt als symbool voor het concrete. In de roman To the Lighthouse van Virginia Woolf, bijvoorbeeld, wordt het werk van Mr. Ramsay, professor filosofie, door een van zijn zonen als volgt uitgelegd: ‘Subject and object and the nature of reality [...] Think of a kitchen table [...] when you’re not there’. Ook bij Jooris dient de tafel om het spanningsveld tussen de aard of grond van de dingen en onze ervaring ervan te verkennen.

    ‘Tafel’ opent met de regels ‘Van vormen zonder ik/ de ruwe eenvoud/ af’. Je kunt dit lezen als een poging van de dichter om zijn ik uit het gedicht te schrappen, en zo de grond van de werkelijkheid te onderzoeken. Wat blijft er over van ons bestaan ‘zonder ik’ of ‘when you’re not there’? Welke vormen zien we als we voorbij de grillen en verlangens van ons kleine leven kijken? De contouren van onze gesticulerende handen (‘handen laten hun beelden/ gevleugeld de lucht/ in’) tonen ons zo’n vorm, suggereert het gedicht. En de tafel, ‘het vlak dat de schemer/ samenvat’, is er nog zo een. Evengoed kun je ‘Tafel’ lezen als een schets van een schimmig samenzijn, een herinnering aan een tafelen met verdwenen vrienden (‘vormen zonder ik’):

     

    als iedereen weg is
    de tafel waaraan
    de onuitgesproken
    vragen
    de hoeken

     

    In Bladgrond vat de dichter existentiële eenzaamheid zonder pathos en zelfs met een laag absurditeit. Als iedereen weg is rest alleen de tafel, met vragende hoeken.

    Jooris’ gevoel voor abstractie laat de lezer genoeg ruimte om de gedichten te interpreteren in relatie tot hun hier en nu. In het gedicht ‘Wonde’, bijvoorbeeld, kun je de regels ‘tot tranen bewogen/ verbijten we het bloeden/ van een omzwachtelde/ tijd/ het doordrenkt ons’ lezen als een beeld voor onmacht bij persoonlijk verlies en als een beeld voor gedeelde pijn die ons treft: ‘we’ delen een wonde en een tijd, een historisch moment. Hoewel het geen politiek gedicht is, resoneert het met onze tijd waarin cocon Europa niet wordt opengereten maar van binnenuit bloedt. ‘Litanie’ vat een vervreemding die zowel persoonlijk als werelds gelezen kan worden. ‘Zij die vluchten/ Zij die stand willen houden/ Zij die niet antwoorden’ kun je begrijpen als verschillende strategieën om met een nakende dood om te gaan of, vanuit onze huidige geopolitieke situatie, als overlevingsstrategieën van verschillende groepen mensen in een koude wereld (‘De aarde hardhorend’). En de liefdevolle lofzang op het Gentse dialect. ‘Endogeen’, ten slotte, belicht dat wat eigen is als inherent gespleten en dus niet puur, en vormt zo een politiek commentaar.

    Jooris mag met Bladgrond geen nieuwe weg inslaan, zijn vasthouden aan het blootleggen van de grillige, open verhouding tussen werkelijkheid en taal (‘Steeds haakser legt verlangen/ harkend de grond bloot/ in zijn taal’ klinkt het in de reeks ‘Basaal’) maakt deze bundel het lezen waard. Ook al begon dit dichten, dat even geschaafd als dwars is, diep in de vorige eeuw, laten we niet denken dat we ermee klaar zijn.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2016
    RecensentSarah Posman
    Editie2016-3