Recensies

  • Het zingen van de wereld

    Marc Tritsmans
    Het zingen van de wereld

    De aarde likt haar diepe wonden 

    Eigenlijk is het heel logisch dat Marc Tritsmans in zijn nieuwe bundel de gedaante van onheilsprofeet aanneemt. Vooral zijn vroegere werk bevindt zich qua toon en thematiek – de schoonheid van de natuur, maar ook verval – in de buurt van dichters als Rutger Kopland en Miriam Van hee. Bovendien groeien buiten de poëzie de zorgen om het milieu. Tritsmans heeft in het verleden meermaals de ingrijpende hand van de mens in de natuur gethematiseerd. Hij schreef bijvoorbeeld de regel ‘Iemand beraamt met zorg de ondergang’, over bomen waarop kapmarkeringen zijn aangebracht. In Het zingen van de wereld bestaat er geen misverstand over: die ondergang is inmiddels ingezet, en heeft apocalyptische proporties.

    Die schaalvergroting is opvallend. Tritsmans ging in vorige bundels vaak uit van het kleine, van het alledaagse en concrete, om zo uit te komen op een abstracter of filosofischer niveau, over de grote vragen van het leven. In Het zingen van de wereld drukt hij echter het gaspedaal in: in de eerste twee gedichten gaat het al over ‘met z’n allen stuurloos te midden van ontelbare heelallen’ en ‘lijkt het einde van de wereld/ nabij’. De bundel eindigt met een postapocalyptische ‘Foto van berglandschap’, waarop een overlever uitkijkt over het landschap en opmerkt: ‘alles in volmaakte onverschilligheid leeggeschraapt/ niets levends in dit beeld te bekennen’. Het is tevens een van de weinige gedichten waarin de verteller een ‘ik’ is. Meestal kiest Tritsmans in deze bundel voor een ongedefinieerd ‘we’: een groep mensen wellicht, maar ze lijken ook voor de (hele) mensheid op zich te staan.

    Tritsmans toont een scenario waarin de mensheid het contact met de aarde en de natuur compleet kwijt is – niet langer in harmonie met de aarde zingt –, wat uiteindelijk leidt tot ‘onze verdwijning’ zodat de aarde ‘haar vele diepe wonden [kan] likken’. Het aardse, concrete van eerder werk is daarbij ingeruild voor iets dat een mythologische indruk maakt: ‘laat ons toch in blijvende verwondering op zoek gaan/ naar het begin en trachten te zien hoe dit onmisbare/ als een niet te bedwingen geest’. Sfinxen en holbewoners worden geëvoceerd. Ook de wat vage ‘we’ en de grootse woorden en gevoelens maken van Het zingen van de wereld een nogal abstracte bundel. Al met al lijkt Tritsmans eerder een mythische eindstrijd te beschrijven dan een reële milieuramp, en dat schept afstand en het gevoel ‘gaat dit mij eigenlijk wel aan?’

    Wie het journaal kijkt zal zich ongetwijfeld een beeld kunnen vormen bij die diepe wonden van de aarde – denk alleen al aan het smeltende poolijs –, maar Tritsmans geeft ze zelf nauwelijks vorm. Ook staat hij er niet bij stil hoe de mens de aarde verpest, of hoe de situatie verbeterd kan worden. Daardoor maakt zijn boodschap een nogal fatalistische indruk: er is stront aan de knikker en daar kun je niets tegen doen. Maar omdat de bundel vrij arm is aan beklijvende beelden en formuleringen, weet Tritsmans die overtuiging niet heel overtuigend te visualiseren; niet écht invoelbaar te maken.

    Echter, in het hoogtepunt van de bundel toont Tritsmans dat concreetheid zijn kracht is, in een gedicht waarin hij een kleine scène oproept die tegelijkertijd een krachtig symbool vormt van hoe de mens met de aarde omgaat. Als hij wat vaker het vergrootglas had gehanteerd had dat een overtuigender bundel en boodschap opgeleverd:

     

    [...]
want ooit zat ik hier op mijn knieën in het
    warme gras, was alles stil, zomerzon stond
    op zijn hoogst, wierp messcherpe schaduwen
     
    en met het vergrootglas dat mijn grootvader
    mij zopas plechtig had toevertrouwd, kon ik
    het felle licht zomaar bedwingen
     
    het haarfijn bundelen tot in die trage seconden
    op dat ene minuscule plekje dat ik van de wereld
    had uitgekozen witheet alles deed ontbranden

     

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2017
    RecensentMaarten Buser
    Editie2018-1