Recensies

  • Te voet is het heelal drie dagen ver

    K. Michel
    Te voet is het heelal drie dagen ver

    Zit je niet aan tafel dan sta je op het menu

    Er staat nogal wat op het spel in de zesde dichtbundel Te voet is het heelal drie dagen ver van K. Michel. We raken overspoeld door een ruisende lawine vol niet altijd even nuttige informatie. Het Europese tafelzilver gooit men in een put en niemand weet of het de bodem zal raken, vrienden worden vermaand over hun drukke agenda’s en dichters, schilders en biografen moeten hoognodig toegesproken of aan het woord gelaten middels samenvattingen, waarbij het aandeel oorspronkelijke stem in Michels vertolking niet altijd eenvoudig te destilleren is.

    Michel is kampioen in het ontmaskeren van gewichtigheid, hij combineert een filosofische hang en inslag het liefst met banaliteiten en triviale weetjes. Toch vormt deze bundel – waarvan de titel overigens zou kloppen als je verticaal omhoog zou kunnen lopen – een kentering in zijn oeuvre. Zijn eerdere vijf bundels zijn verzameld in de gelijktijdig met deze nieuwe bundel verschenen uitgave Speling zoeken. Michel gaat in zijn nieuwste bundel vaker over de schreef en maakt grotere gedachtesprongen, hij laat zijn gedichten met liefde uit de band springen. De wereld die hij oproept is stukken verontrustender dan die van eerdere gedichten, die wel eens zo stelselmatig afgeschrobd werden dat ze op tekeningen van Dick Bruna begonnen te lijken: heldere lijnen, krachtige figuren. Het mag weer rommeliger van de dichter die inmiddels veel te begaafd en ervaren is om zich echt van slag te laten brengen. Ook in de wanorde fileert hij en maakt mooie regels. Schaduwen bewegen even hard als droogzwemmers, een schildpad dirigeert kopwiegend een bamboebosje.

    Hoe wapen je je tegen de digitale informatiestromen, hoe hou je je staande te midden van de infodata, die ‘klamme nevel die alle content kromtrekt’? Nou, gewoon niet, het beste is nog alle ‘takken/ rondom je af te zagen ook die waarop je zit.’ ‘Houd moed’ zegt de pakketbezorger die de jongere ik-figuur een groot cadeau geeft, een hoekige kartonnen taartdoos waarin die verdwijnt. Af en toe klinkt de dichter berispend, als wij ons te veel zorgen maken en hij het werkwoord ‘to worry’ herleidt tot wurgen, af en toe lijkt hij ook oprecht boos op onze roofbouw op de toekomst. ‘Zit je niet aan tafel/ dan sta je op het menu.’ Voor de eerste keer trof me een parallel tussen de poëzie van Jan Hanlo en die van K. Michel, al is het maar door de rol van Koen in de bundel die als leidsman ons met kinderlijke eenvoud door ons wanordelijk bestaan leidt. Vaak spreekt Michel vrienden toe, ‘oude vriend’, ‘waarde vriend’, ‘ach vriend’ en daar lijkt hij als raadgever iets meewarigs over zich te krijgen. Typerend is in het gedicht ‘Pliniaans’ het zinnetje ‘maakte ik me tot nu toe niet echt ongerust’; dan weet je gelijk dat het goed mis is. ‘Pliniaans’ verwijst naar Plinius die in het jaar 79 n.C. brieven schreef over de uitbarsting van de Vesuvius; in het tijdschrift Raster wijdde K. Michel al een uiterst apocriefe opsomming van diens gedachten over kleur. Pliniaanse weetjes (de ozonlaag ruikt naar geraniums, zeeotters houden om niet af te drijven tijdens hun slaap elkaars hand vast) worden een ‘oude vriend’ die Michel hiervan op de hoogte stelt te veel, waarop de dichter er pardoes nog een aantal opsomt.

    Natuurlijk tonen uitgerekend die weetjes Michels dichterschap ten voeten uit, zijn geestigheid en vermogen te fabuleren en daarbij op de grond te blijven staan. Het lijkt me dat hij die grond meer dan voorheen durft te doen opschudden. In het gedicht ‘Boekhouding’ benadert hij een grote tragiek op uiterst lichte wijze, de boekhouding van het leven die maar niet terug op orde raakt door allerlei gebeurtenissen. Dat is precies wat er eerder aan schortte: dat de chemokar door de straat kwam met attentie, attentie megafoon was natuurlijk heel choquerend voor mensen die kanker hadden, je had tegelijk het idee dat de dichter daarmee de deur op een wel erg nauwe kier openzette naar wat er werkelijk speelde. De lichtheid van Michel verwijst altijd naar iets diepers, het is de vraag hoeveel hij daarvan prijsgeeft en hoeveel hij te raden laat.

    De juweeltjes in de bundel zijn een fabel geschreven voor de vroegtijdig overleden dichter Erik Menkveld over een schildpad die aangifte wil doen van een overval en daarvoor op weg naar de politie zijn leven langsloopt, een fraai gefingeerde samenvatting van de biografie van Wittgenstein die alsmaar wilde helpen met afwassen en een uiterst charmante reeks over de schilder Matisse. Als de dichter afsluit met de wending ‘wat ik weggaf/ is wat ik nu bezit/ (en meer)’ vraag je je even af of K. Michel zelf geen boeddhist en betweter gaat worden. Ik denk het niet, voor het boeddhisme blijft hij gelukkig net te venijnig en een betweter past het niet om niet alleen de wereld maar ook zichzelf zo ontroerend te fileren als K. Michel in deze bundel doet.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2016
    RecensentErik Lindner
    Editie2016-3