Recensies

  • Contouren voor verderop

    Peter Prins
    Contouren voor verderop

    Een logboek van waarnemingen

    Contouren voor verderop begint en eindigt met twee gedichten, ‘contouren voor verderop’ I en II. Ertussen staat een lange reeks gedichten met de raadselachtige titel ‘52°56’38” NB 4°56’11” OL, 08:18 u’. Ook alle gedichten uit deze reeks hebben coördinaten en een matineus tijdstip als titel.

    Die coördinaten opzoeken is een begin om aanknopingspunten te zoeken voor de dagboekgedichten die telkens beginnen met ‘lief uitzicht’, ‘lief geluid’ of ‘lief inzicht’. De teksten zélf laten weinig los over hun innerlijke logica. De bundel heeft doorlopend een onrustige ondertoon: zo begint elke strofe van het openingsgedicht met ‘verderop’, of ‘verderop, (een plaats) in een richting’, waarheen de verteller jaagt om na enkele flarden beschrijving verder te vluchten. Bijvoorbeeld: ‘en verderop in een richting waarvan sprake is, verderop, zo’n niet/ beschreven afstand, bergen, velden, glooiingen, harde grond, verderop/ water en zand’. Dat elk gedicht in de bundel eindigt met een komma, voegt onrust toe. Het voelt alsof je door de gehaaste verteller langs zoveel plekken en indrukken gevoerd wordt dat je nergens echt aan kunt komen.



    In een interview op de website oost-online.nl ver telde Prins over de thematiek: een meeuw die alles overziet en controle wil houden, maar ook op zoek blijft naar zijn plek. Die thematiek is voelbaar in de bundel, maar de noodzakelijke reflectie blijft uit.

    Een paar dingen, zoals de speling tussen de woorden ‘uitzicht’ en ‘inzicht’, zijn goed gevonden. Maar teveel blijft in het luchtledige hangen. De coördinaten in de titels, o.a. het water tussen Den Helder en Texel, straten in Delft en de Dolomieten, en de Middellandse Zee bij Valencia, tonen geen onderling verband. Ook de gedichten bij deze locaties, die hoofdzakelijk beschrijvingen van uitzichten bevatten, blijven ongrijpbaar. De gedichten bij de straten in Delft worden huiselijk beschreven (‘de tafel staat in een hoek van de kamer, er zijn nog twee lege stoelen, van/ boven dringt er geluid naar beneden’), maar het blijft net als de landschappen hangen in een feitelijke opsomming wat er te zien en te horen is, als een logboek van waarnemingen. De lezer moet er, met weinig houvast en referentiekader, maar het zijne van maken.

    UitgevercrU
    Jaartal2019
    RecensentRoel Weerheijm
    Editie2019-3