Recensies

  • 
10 voor 10. 
Tien Extaze-dichters van de jaren tien

    Cor Gout / Kees Ruys
    
10 voor 10. 
Tien Extaze-dichters van de jaren tien

    Tien zonder banier

    Mooi tijdschrift, Extaze, het betoont alleen al door de naam eer aan de naturalistische geweldenaar Louis Couperus, balancerend tussen de 19e en de 20e eeuw, zoals Awater eer betoont aan de 20e eeuwse modernist Martinus Nijhoff. Maar de redactie durft blijkbaar ook vooruit te kijken: ter gelegenheid van de Poëzieweek 2019 werden tien dichters in bundelvorm bijeengebracht die tussen 2011 en 2018 in het tijdschrift publiceerden. Vijf gedichten per persoon van tien dichters voor de toekomst, tien dichters voor het begin van onze verse eeuw, zo lijkt de gedachte. En inderdaad: de bloemlezing combineert dichters die we voor de komende tijd niet mogen vergeten met dichters waarvan we in de toekomst meer zullen gaan horen.

    Daniel Bras? Estelle Boelsma? Hanz Mirck? Het zijn dichters die hun plek intussen verdienden, en als ergens een acquirerend redacteur niet zit te slapen, dan kunnen wij als lezers in de nabije toekomst vast wel weer een nieuwe bundel van ze tegemoet zien.

    Merel van Slobbe, Giuseppe Minervini, Heidi Koren? Elke redacteur mag door z’n snooze-buttonheen slapen, maar als die drie niet spoedig, dat wil zeggen voor het laatste Groningse gasveld gesloten wordt, met volwaardige debuutbundels mee mogen dingen naar een volgende Buddingh’-prijs, dan eet ik Samuel Vriezens gekoesterde hoed op.

    Het is, om kort te gaan, en om voorbij te zien aan de goed opgebouwde maar relatief overbodige inleiding die de gedichten begeleidt, nogal een spannende bundel die Extaze ons hier voor de voeten werpt. Tien dichters spreken, zonder banier, zonder enig frame van semantische of stilistische verwantschap, tot de ontvankelijke verbeelding van de lezer.

    Lees bijvoorbeeld hoe Dorien Dijkhuis ons bijspijkert over het cliché van de Inuit en hun twintig woorden voor sneeuw:

     

    het is trouwens niet waar wat ze
    over Eskimo’s beweren
     
    wel kennen ze een woord

    voor verwachtingsvol hopen, het verlangen
    voortdurend naar het raam te lopen

    de straat af te speuren, te zien

    of je er al haast bent

     

    Het zijn de slotregels van ‘Iktsuarpok’, wat mij betreft een instant classic, die ook terug te lezen zal zijn in Dijkhuis’ debuutbundel Waren we dieren, vanaf komende november dankzij uitgeverij Nieuw Amsterdam overal verkrijgbaar. In haar gedichten snap ik grotendeels waar ze op uit is, en bij het lezen reken ik haar voornamelijk af op die veronderstelde intenties, met een positief saldo tot gevolg. Hoe anders is het om de gedichten van Giuseppe Minervini te lezen: ik kan er op geen enkele manier de vinger achter krijgen wat hij eigenlijk wil delen of laten weten in de vijf hem toegemeten pagina’s. Maar er ís iets aan de hand, met een moeder en vooral met een vader, en de dichter heeft me te pakken: ik wil verdomme méér weten, ik wil weten hoe het zit, ik wil begrijpen waar het hem om draait. Niet vanwege een biografische interesse, want wat zou deze mij geheel onbekende jonge dichter/filosoof mij nou kunnen schelen, maar door zijn merkwaardige, barokkig-surrealistische idioom ben ik gefascineerd en betrokken geraakt:

     

    Ik beeld me hem in, hem trachtend te zijn,
    
hier bij de kapper, met de kapper te praten

    en mezelf te zien, met de kapper die over mijn vader praat
    en ik antwoord, jaren later, hoe ik hem voor me zie
    wanneer ik woel als nu: op het zwaartepunt

    van de Atlantische oceaan, zonder ledematen,
    
drijvend op zijn rug en hij ademt.

     
    Zoals in het geval van Minervini, biedt 10 voor 10 een paar onverwachte en uiterst aangename eerste ontmoetingen. Zo ben ik blij nu op z’n minst een snapshot-indruk te hebben van de gedichten van Maria van Oorsouw en Lisa Rooijackers. Maar laten we het nu toch vooral ook nog even over Hanz Mirck hebben. In het Extaze-gezelschap is hij ontegenzeggelijk de bekendste dichter, met een roman en een paar bundels op zak, met een Buddingh’-nominatie in 2003 en de toekenning van de J.C. Bloem-poëzieprijs in 2007, met een dubbel stadsdichterschap (Zutphen 2007- 2009 en Apeldoorn 2014-2017). Welke uitgever, na Vassallucci, Prometheus en De Arbeiderspers, staat er op om zich over Mircks talent te ontfermen? Want ook in de vijf noodlottige prozagedichten die hij aan deze bundel bijdroeg, laat hij zijn onweerstaanbare talent zien om stem te geven aan het mislukken op menselijke schaal, laat hij de miskende superheld die in elk van ons sluimert schitteren:

    (...) Ik kijk uit over de stad,

    mijn haar wappert in de hoge wind, minuscuul getoeter waaiert op, de
    straten glinsteren, ergens stijgt rook op, een verre sirene begint te zingen.

    UitgeverIn de Knipscheer
    Jaartal2019
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2019-3