Recensies

  • In het hart van het hart van de schrijn

    Anne Kawala
    In het hart van het hart van de schrijn

    De leegtes in de geschiedenis

    In museumkringen is transhistorisch exposeren al een paar jaar een populair fenomeen: kunstwerken uit verschillende tijdsperiodes worden naast elkaar tentoongesteld. Zo kun je onder meer de canon ter discussie stellen of aanvullen. Je kunt bijvoorbeeld de aandacht vestigen op vrouwelijke of niet-westerse kunstenaars die een ondergeschoven rol hebben in de ‘officiële’ westerse kunstgeschiedenis. Een vergelijkbaar concept vormt de basis van In het hart van het hart van de schrijn van de Franse dichteres Anne Kawala (1980). Centraal staat de schrijn uit de titel, die het gebalsemde hart bevatte van Anna van Bretagne (1477-1514), dat inmiddels is vergaan. In elk gedicht kijkt een ‘ik’ in de schrijn van de koningin, waarin ze een soort transhistorische ruimte aantreft, gevuld met gebeurtenissen en ontwikkelingen in de Middeleeuwen.

    Het verhaal van Anna van Bretagne is een soort casestudy bij de vraag die centraal staat in de bundel: ‘Wat is de plaats van de vrouw in deze maatschappij?’ Daarbij verwijst ‘deze’ niet alleen naar de Middeleeuwen, maar ook naar het heden. In de loop der jaren zijn veel levens gereduceerd tot een terloops vermelding. De middeleeuwse geschiedschrijving kent een sterke nadruk op mannen en het Westen; de vrouw en het Oosten komen veel minder aan bod. Over Anna blijkt bijvoorbeeld weinig bekend te zijn. Haar hart zou je als symbool voor die afwezigheid kunnen zien: uit haar lichaam gesneden, in een schrijn gestopt, en inmiddels vergaan.

    In het openingsgedicht blikt Kawala terug op haar geschiedenislessen op de basisschool en middelbare school. In de daaropvolgende gedichten breidt ze die verhalen uit met oosterse en vooral vrouwelijke perspectieven. Door de woorden ‘in het hart van het hart van de schrijn’ te herhalen, ontstaat er een bezwerend ritme. Tussen elke herhaling roept Kawala weer nieuwe beelden, personen en gebeurtenissen op, alsof de incomplete canon ter plekke wordt aangevuld. Dat is de grootste taalkracht van de bundel, die verder op stilistisch vlak niet al te bijzonder uitvalt. Er staan veel statements in de gedichten die te prozaïsch en expliciet zijn om als poëzie te overtuigen, zoals ‘wat is een religie die straffeloos vrouwen doodt?’

    Het concept en de ethiek zitten de esthetiek vaker in de weg. Kawala schrijft ergens over ‘de lege dop die ik probeer te vullen met herstories’, als tegengewicht voor history dat vaak – taalkundig incorrect – wordt uitgelegd als ‘his story’. Echte verhalen willen die herstories echter niet worden, deels omdat er weinig over hun hoofdpersonen bekend is, deels omdat Kawala hun levensgebeurtenissen vaak verstrooid en a-chronologisch navertelt. Maar de voornaamste reden dat de verhalen nauwelijks tot leven komen is de vaak geschiedenisboekachtige opsommende toon: ‘Anna van Bretagne [...] wordt weer hertogin van Bretagne; het Franse koninkrijk valt toe aan Lodewijk II van Orleans, Lodewijk die met zijn vader, met de vader van Anna, Lodewijk met

    Frans II van Bretagne, Lodewijk had tegen zijn nicht gestreden in de dwaze oorlog’ – enzovoort. De bundel bevat helaas iets te veel – én vaak te lange – vergelijkbare passages waarin de namen, feitjes en gebeurtenissen je om de oren vliegen, zonder al te veel stilistische schwung.

    In het hart van het hart van de schrijn is daardoor regelmatig een beetje ergerlijk, maar dwingt toch ook bewondering af. Dat komt door de avontuurlijke, gefragmenteerde vorm van alternatieve geschiedschrijving, het prikkelende concept. Of misschien is de grootste kracht van deze gedichten tóch ook stilistisch van aard: de bezwerende herhalingen en formuleringen roepen soms een hele (alternatieve) geschiedenis op, en wijzen andere keren keihard op de leegtes daarin.

    UitgeverPerdu / Terras / Poëziecentrum
    Jaartal2019
    RecensentMaarten Buser
    Editie2019-3