Recensies

  • Dansen te ontspringen

    Rosa Schogt
    Dansen te ontspringen

    Theater en leven

    Dat acteren en dichten een gelukkige combinatie kunnen zijn, bleek onlangs al uit de bekroonde debuutbundel Vruchtwatervuurlinie van Roberta Petzoldt. Nu is daar het debuut Dansen te ontspringen van Rosa Schogt, die behalve poëziedocent en redacteur ook theaterwetenschapper en actrice is.

    In heldere, toegankelijke taal schrijft Schogt goed gecomponeerde gedichten die de meervoudigheid van het leven vangen. De mooie momenten, maar vaker de momenten die pijn doen. Na een ziekenbezoek: ‘En buiten sta ik/ vuistgebald te leven, adem ik te diep,/ ik ben weer levender, weer levender/ dan eerst’. Deze regels vatten een kern van de bundel: er zal geleefd worden, ook al doet het pijn.

    Haar ervaring als actrice en theaterwetenschapper is op een concrete manier met haar poëzie verweven. In het volgende titelloze gedicht wordt een scene in het poppentheater beschreven: ‘De pop knikt haast onzichtbaar, draait vervolgens/ met gespeelde tegenzin naar voren, maakt een groots gebaar/ naar boven’. [...] ‘je strekt je nek, zoekt haar gezicht – zou ze nu/ glimlachen, likt ze haar lippen, trekt ze een wenkbrauw op?// Maar dan is ’t klaar en ligt ze roerloos op de kruk.’ [...] ‘Dan stap je weer de wereld in. Laat het theater maar beginnen.’ Theater wordt leven, en andersom.

    Schogt heeft een scherp oog voor het moment waarin de menselijkheid schuilt. Ze weet waar het wringt en legt de vinger op de zere plek: ‘Hij gaat naar het ballet omdat hij wil ontkennen hoe de aarde aan hem trekt.’ [...] ‘En als hij straks naar buiten loopt, dan waagt zijn voet een kleine pas,/ zijn arm een buiginkje, zijn handen zijn gracieuzer dan ze waren,’ [...] ‘Van al die dingen die hij zo ontzettend matig kan, wil hij het liefste/ kunnen dansen – even maar – zo vloeibaar zijn, zo makkelijk, zo zacht.’ Een schrijnend en ontroerend moment, met mededogen beschreven. Ze spaart ook zichzelf niet. Uit ‘Winst’: ‘de allerlaatste klant had nog een vraag:/ wat ik hierna ging doen. Gedichten schrijven/ zei ik, en hij lachte en ik niet. Toen was het stil.’ [...] ‘Hij wenste me succes, nee sterkte, ach/ nou ja, ik deed de winkeldeur op slot, ik liet/ de munten door mijn handen glijden.’

    Gedichten die je eerst zacht bij de hand nemen, maar die niet schromen je daarna een knietje te geven. ‘Slaapliedje voor een klein meisje’, het gedicht waarmee Schogt in 2012 in de top 20 van de Turing gedichtenwedstrijd eindigde, begint als een lief wiegelied maar met enkele strofen wordt het vloerkleed onder je vandaan getrokken en blijkt de wereld niet zo veilig als je dacht: ‘Lief meisje meizelijntje poppetje/ Je huilt we halen je eruit wat ben je wakker/ Stil stil het is nog vroeg ga nu maar liggen/ Ga nu maar liggen tussen ons in’ [...] ‘Lief meisje meizelijntje pop- petje/ Je moeder die is ergens naar een cursus/ Ze komt vanzelf weer terug na een paar dagen/ Dan ben ik al weer weg maak je geen zorgen’. Schogt zet hier een beklemmende, cynische wereld neer.

    Dat zien we vaker in haar bundel: in het eerste gedicht ‘Dus dit is wat we zijn’ wordt geschreven dat ‘wij’ nergens meer in geloven en alleen maar met onszelf bezig zijn. En later: ‘We komen niets te kort we hebben alles’ maar, vraagt de dichter zich af met dit citaat uit de hit van Doe Maar, is dit alles? Het beeld ontstaat van een generatie die het voor het kiezen heeft en alles tegelijkertijd wil, maar tot niks van betekenis komt. In ‘onbijt’ ‘O, ik praat zo makkelijk en veel/ over gevoelens maar ik maak me weinig druk,/ ik maak me veel te weinig druk.’ Ze treft de millennial tot in de ergerniswekkende puntjes.

    Toch is dit geen droevige of pessimistische bundel. Schogt weet op de juiste momenten de lichtheid en humor te vinden: ‘Inmiddels weet ik dat niet alle mannen hun piemel een naam geven. Steekproefsgewijs kom/ ik op één op eenentwintig en een half. Epicurus, heette de andere. Die was van iemand die/ ervoor gestudeerd had.’

    De bundel heeft een merkwaardig einde. Aan het einde is ‘Bon tafel 35’ opgenomen, gedateerd 13-6-2015 (Schogt is uit 1980). Het is een opsomming van een liefdesleven en wat daarbij komt kijken: 66 tongen, 10 kattenbezitters, 11 verliefdheden, 2 soatests, et cetera. Onder het subtotaal vinden we nog 1 droomman, op kosten van de zaak. Het gedicht, de bon, wekt de indruk dat de rekening is opgemaakt. Het is klaar, we mogen naar huis en na het verkrijgen van deze droomman valt er eigenlijk niets meer te melden. Ze zijn ‘vreselijk gelukkig, gisteren,/ vandaag en morgen en we denken voor altijd.’ Ik hoop dat Schogt nog niet klaar is en dat we snel weer wat van haar horen.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2019
    RecensentAnne Ter Beek
    Editie2019-3