Recensies

  • Baah baaah krakschaap / De p van Winterslaap

    Martijn Benders
    Baah baaah krakschaap / De p van Winterslaap

    Duister zingen

    Martijn Benders is geen gemakkelijke dichter. Hoe moeten we in vredesnaam naar zijn hybride bundel Baah baaah krakschaap alias De p van winterslaap kijken? Je weet al niet aan welke kant te beginnen, bij het krakschaap of de winterslaap? De titels rijmen maar betekent dat iets? En dan, wat zijn dit in godsnaam voor gedichten?

     

    het bidden van de maansnavel
    boven de akker,
     
    gekust pantsergras, schelphologram
     
    op de zeef van zand
    schuimt de dollende wind
    die in vlagen van kant gaat.


    Denk maar niet dat je dit Bommeliaanse taalgebruik zomaar kunt ontrafelen tot betekenisvolle mededelingen, integendeel, er lijkt Benders alles aan gelegen om het de lezer, en dus ook de recensent met zijn neiging tot duiding, moeilijk te maken. Zo is, veelzeggend detail, deze bundel niet gepagineerd en kent ze geen inhoudsopgave, wat zoiets praktisch als het opzoeken van een citaat bemoeilijkt. Kortom, handen in het haar maar dat is ook direct het bijzon- dere van deze bundel(s), krakschaap/winterslaap laat zich niet grijpen, niet eventjes duiden, eigenlijk ook niet zomaar genieten. Je zult je er werkelijk aan over moeten geven, anders wordt het niks.

    Zoiets was ook het geval toen Kees Ouwens de Nederlandse poëzie betrad of Tonnus Oosterhoff, maar ten slotte werden die na de nodige inspanning toch getemd en min of meer ontraadseld. Ik denk dat Benders nog een stapje verder wil gaan en ons puur obscurantisme wil bieden. Moeten we zijn gedichten als klankpoëzie opvatten? De titel Baah baaah krakschaap, waarin we een schaap horen blaten, wijst daarop. Die andere titel, De p van winterslaap, wijst daarentegen eerder op taalmagie – of zijn het wellicht vooral typografische experimenten? Of kunnen we maar het best uitgaan van een nieuwe vorm van ‘dérèglement de tous les sens’? Zo roept deze bundel nog voor je er goed en wel aan begonnen bent alleen maar vragen op.


    Het opmerkelijke bij dit alles is dat ik tijdens het lezen van Benders’ ondoorgrondelijke orakeltaal toch van alles en nog wat ervoer; alsof zaken, evenementen en ervaringen niet worden uitgesproken maar wel degelijk gesuggereerd. Je proeft er nachtelijke angsten in, duistere natuurervaringen, vreemde visioenen. Ik zou zelfs willen beweren dat Benders wonderlijke taalfantasieën meer oproepen dan de gemiddelde bundel met recht doorlopende, min of meer heldere zinnen. Neem een tekstje als dit (natuurlijk uit z’n organische verband gerukt):

    Manische slaapbomen in de rui

    met verslommerde wespen,

    met zware wespen, bruine suikerwespen,
    kon hij maar

    als een woespe troost

    een moederland benesten in jou.


    Verslommerde, woespe, benesten. Van Dale kent ze niet maar toch maak ik er iets atmosferisch uit op; iets van verandering in de natuur, hoop op vruchtbaarheid. Misschien is verslommerd wel een nieuwe vorm voor verkommerd, woesp een wespachtige variant op woest, benesten iets als bemesten... Hoe langer je naar Benders’ wonderlijke en ideosyncratische gedichten staart hoe meer ze in beweging komen.

    Toch ben ik ervan overtuigd dat de dichter tenslotte onbegrepen wil blijven, een orakelende ziener, misschien wel om al die praatzuchtige, wauwelende, filosoferende en psychologiserende dichters van tegenwoordig eens wat anders voor te schotelen dan het afgeronde, begrijpelijke, veelzeggende vers dat bon ton is in de tegenwoordige poëzie. En al snap je er geen bal van, dat is geloof ik ook precies de bedoeling, dit is poëzie uit een onbekend deel van de hersenen waar ‘Wortsalat’ heerst en waar ongekende fusies plaatsvinden.

    UitgeverKaneelfabriek
    Jaartal2019
    RecensentRob Schouten
    Editie2019-3