Recensies

  • Het trouwservies

    Benno Barnard
    Het trouwservies

    Je hoeft alleen maar te zingen en te creperen

    Het Trouwservies
    , dat is de wat ouderwets aandoende titel van de nieuwste bundel van Benno Barnard. Een sterke bundel van de Nederlander die lange tijd in België woonde en een indrukwekkende lijst met publicaties op zijn naam heeft staan. De bundel is opgedragen aan de overleden Anna en Willem Barnard. Willem, de vader van Benno Barnard, is beter bekend onder zijn dichterspseudoniem Guillaume van der Graft. Anna is, zo leren we in de bundel, de overleden dochter. Nog voordat we bij de gedichten zijn aangekomen snijden we ons aan het leidende thema van de bundel, de dood en de urgentie die dit geeft aan het leven zelf.

    Het openingsgedicht borduurt voort op dit thema. ‘Willems dood’ heet het. We weten waar het over gaat. De titel spreekt voor zich. Het gedicht maakt bovendien onderdeel uit van het hoofdstuk ‘Begraven woord’. Maar wie een zwaar, persoonlijk, droevig gedicht verwacht, wordt verrast met een gedicht over een zingende ijsvogel, daar, op het dak van Willem. We zijn meteen dichtbij en zien hoe de ijsvogel vlam vat boven de singel. Met lichte toets wordt beschreven hoe vervolgens een rolstoel in het water valt. De voornen springen opzij. En tijdens dit magisch realistische, religieus-bijzonder aandoende voorval, licht Willem zijn hoed. Hij ‘knikte, sloeg goed/ ter been de hoek om. Die kleine zwarte zweeg –/ de ijsvogel doofde boven de singel.’ Zo wordt een dichter door zijn dichtende vader achtergelaten. Met weinig woorden wordt de indruk ingeprent, terwijl de vader zwijgt ‘uit eigen werk’ en de lucht donkerder wordt. Wat kan je dan nog doen, als mens, als dichter? Gewone stervelingen zouden er bij staan en zeggen dat ze geen woorden hebben. Benno Barnard schrijft: ‘We konden terug zingen.’

    Het Trouwservies is een stevige bundel, bestaande uit zes hoofdstukken met 35 gedichten die vaak meerdere pagina’s beslaan. De gedichten zelf variëren sterk, zijn schoon en rauw, of, om met Barnard te spreken: in de bundel is plek voor bloemen en onkruid.

    Het hoofdstuk ‘Bloemen en onkruid’ opent met een gedicht genaamd ‘Het pissende vrouwtje’. ‘Het is dringend’, schrijft Barnard. ‘Je hurkt aan de voet van een wilg’. Inderdaad, de titel laat wederom weinig te raden over, maar de opbouw is sterk. Barnard tart de lezer en speelt met het uitstel van de onvermijdelijke menselijke nood. ‘Ik, Rembrandt, bemin [...] het banale/ als voorwaarde voor het verhevene, het aardse.’ Hij schrijft ‘het aardse/ van je aars’, maar uitgelicht als citaat komt dat platter over dan hoe het in de context van het gedicht werkt. Vindingrijk overschrijdt de dichter hier de grenzen van het algemeen betamelijke. Je hoort het voorgedragen worden aan een zaal die zich enthousiast laat verbazen door de glorieuze beschrijving van dit aller menselijkste tafereel, waarbij de kwaliteit van de schrijver telkens blijkt uit de vermijding van het voor de hand liggende.

    Even verderop wordt er geschreven over iemand die zich eveneens in gehurkte positie bevindt – iemand die achthonderd jaar geleden ten tijde van de Azteken aan zijn einde kwam en nog altijd gehurkt in het antropologische museum van Mexico City zit. ‘Ik schrijft dit vol afkeer op’, schrijft de dichter, wanneer hij vertelt over hoe het twaalfjarige kind door een priester geofferd werd.

    De dood, die volgens Barnard nu eenmaal ‘de schoot van de poëzie is’, treedt in verschillende gedichten op de voorgrond, maar is continue aanwezig op de achtergrond als dreiging. Het geeft de gedichten een sterke urgentie, maakt de soms anekdotische beschrijvingen in al hun weerloosheid weergaloos.

    Neem de allusie op het welbekende novembergedicht van J.C. Bloem. ‘Alweer november en je wordt godsamme zestig./ Neem me niet kwalijk dat ik vloek,’ schrijft Barnard. Het zijn kleine, gewone woorden. Maar even verderop ontpopt dit gedicht zich als een mythologisering van het dichterschap. Uiteindelijk beoordeelt de ‘engel der rechtvaardigheid’ ons allemaal, niet op een indrukwekkende lijst met publicaties, maar op wat Barnard met hoofdletters omschrijft als ons ‘Beste Gedicht’. Die engel bezit er een exemplaar van. Dit gedicht, ‘een doorzichtig geheim vol onvoorzichtig rijm’, zou voor zowel lezers als vakgenoten van Barnard het leven zelf kunnen zijn – een levensverhaal waarover de engel waakt. Het staat er niet met zoveel woorden, maar barmhartigheid hoeven we van die engel niet te verwachten. ‘Je hoeft, beste Ik, alleen maar te zingen en te creperen.’

    In Het Trouwservies ontmoeten het aardse en het hemelse, de banvloek en de engel, het sterfelijke en het onsterfelijke, elkaar. Er wordt, de klaagzang voorbij, gezongen, omdat het moet. Maar het zindert. Deze poëzie raakt diepere lagen dan de titel en de alledaagse vertelstem doen vermoeden – de ruimte van het volledige leven. In al zijn kleine, welgekozen, wrange, niet schoon gepoetste, maar zorgvuldig gestileerde beschrijvingen is het de beste bundel die ik dit jaar las.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2017
    RecensentPim te Bokkel
    Editie2018-1