Recensies

  • De stad met één enkele bewoner

    Matei Vişniec
    De stad met één enkele bewoner

    Zoals een paardendief houdt van het gestolen paard

    ‘Als een geslagen hond heb ik van haar gehouden, zoals een zwerver houdt van de vrijheid, zoals een paardendief houdt van het gestolen paard,’ zo luidt de sprekende liefdesverklaring aan de poëzie van de Roemeense Matei Vişniec, waarmee vertaler Jan H. Mysjkin zijn inleiding op het werk van deze dichter begint.

    Vişniec (1956) maakte in de jaren ’80 deel uit van een groep dichters die door middel van poëzie het literaire landschap in Roemenië wist te beïnvloeden. Hij begon als dichter, maar werd vooral bekend met zijn toneelstukken. Nadat een toneelstuk van hem, slechts één dag na de première, in Boekarest werd verboden, reisde de schrijver op 31-jarige leeftijd naar Frankrijk, waar hij politiek asiel aanvroeg. Vanaf dat moment schreef hij zijn toneelstukken in het Frans, maar voor zijn romans en poëzie bleef hij trouw aan het Roemeens. Alleen al die spagaat, tussen talen, culturen en genres, maakt me benieuwd naar zijn werk.

    Hij stond in 2005 al op Poetry International, maar dankzij Mysjkin en uitgeverij Vleugels ligt er nu een selectie afkomstig uit vijf dichtbundels, verschenen tussen 1980 en 2011.


    Het gestolen paard uit de hierboven geciteerde ode aan de poëzie is overigens lang niet het enige paard in de bundel. In het gedicht ‘De droom van de dichter voor hij weer een paard werd’ lezen we:

    Ik droomde zowaar dat ik weer een paard werd
    gelukkig dravend door drassige velden
    
en ik wist dat ik weer een paard werd

    en ik verlangde dat ik nooit meer zou ontwaken

     
    Het lyrisch ik probeert te wennen aan de gedachte dat alles maar een droom is en weer voorbij gaat – maar net wanneer hij zich voorbereidt op het ontwaken, brult een boze geest hem toe dat hij paard is en paard zal blijven. Ook voor het ik is dit raadselachtig: ‘alsof ik niet kon geloven/ dat alles wat er gebeurde waar was/ had ik even willen ontwaken één enkele seconde maar/ om me ervan te vergewissen dat ik bestond’. Maar wakker wordt hij niet. In zijn droom wil hij omstanders ervan overtuigen dat hij een mens is – maar zij blijven staan en merken slechts glimlachend op: ‘kijk daar, een paard dat spreekt’.

    De dichter wil een paard zijn en draven, hij houdt van galop en draaft graag weg op een paard dat in de wei van een ander stond opgesloten, maar tegelijkertijd maakt die wens hem soms onzichtbaar en onbegrepen. Later in de bundel, in het gedicht ‘Een boogschot’, vraagt het ik om een pijl in zijn hart. De schutter doet zijn best, maar de pijl mist steeds doel. Hij boort zich achtereenvolgens in het been, de schouder en het linkeroog. Het ik dwingt de schutter op zijn hart te richten, maar de pijl scheert langs hem heen en plant zich ‘in het hart van mijn paard/ waarvan ik zozeer hield/ en dat nergens schuld aan had’.

    Het zijn wonderlijke gedichten die zichzelf vaak in hun staart bijten. Dat doet ook: ‘Over hoe dit gedicht gaat eindigen’. Dit gedicht vangt aan met de raadselachtige onbekendheid van het einde ervan. Er is zelfs sprake van een menigte die samendromt voor het raam van de dichter, omdat hij nog aan niemand heeft vertelt hoe het zal eindigen. De mensen zijn zo benieuwd, dat hij ‘door een verrekijker’ op zijn vingers wordt gekeken. Tot het einde toe is het einde maar de vraag – en dat blijft het zelfs daarna.

    Ik kende Vişniec nog niet, maar ben een beetje verliefd geworden op dit werk waarin magisch realisme trouwt met tragikomedie: een blinde beul zoekt naar de blinde veroordeelde, omdat de blinde koning dat vraagt en een blinde massa kijkt toe. In een ander gedicht, waarin het einde van de eeuw nabij is, loopt een blinde over straat ‘met een kijker onder zijn arm’ en weer ergens anders is een opmerkzame degenslikker de enige die iets heeft gezien. Terugkerende thema’s, die paarden, dat (niet) zien. Net als het communisme. Zoals in ‘Het schip’, waarin een schip maar niet wil zinken, het afscheid dat maar niet achter de rug wil zijn, zoals ook in ‘Dragers van bizarre tekens’. Iedere keer als het ik de stad uitgaat, botst hij op een begrafenisstoet. De mensen willen de dode begraven, maar kunnen de begraafplaats niet vinden. Het ik wijst ze daarop ook nog eens de verkeerde kant op.

    Voorbeelden te over, maar écht kenmerkend is misschien wel de vijfdelige cyclus ‘Aan tafel met Marx’. Na een zeer uitgebreid diner moet de afwas gedaan worden. Marx, Engels, Lenin en Stalin vertikken het, dus doet de dichter het maar. Het afwaswater kleurt zwart en er drijven verdacht veel messen in. Het ik heeft naar eigen zeggen honderd miljoen doden te begraven, wat niet eenvoudig is ‘wanneer je tot je dertigste met Marx hebt getafeld’ en zelf in het massagraf bent opgegroeid. Maar het levert ook hier scherpe en eigenzinnige poëzie op.

    UitgeverVleugels
    Jaartal2019
    RecensentVicky Francken
    Editie2019-3