Recensies

  • Ware aard

    Jan-Willem Anker
    Ware aard

    Zoeken naar de onstuitbare cadans

    Het openingsgedicht van Ware Aard, de nieuwste bundel van Jan-Willem Anker, is getiteld ‘Station Weesp’. Weesp is een terugkerend thema, in het bijzonder de nieuwbouwwijk in de polder, de woning met ingebouwde garage. Voor mij niet direct een gelukkig weerzien. Ik ken die wijk, ik ken dat stadje als geen ander: een groot deel van mijn leven heb ik in datzelfde Weesp gewoond. Het voelt wat ongemakkelijk: wat te doen met Jan-Willem Anker, de dichter die zijn ware aard situeert in deze voor mij overbekende kleinsteedse alledaagsheid?

    Ik neem mijn toevlucht tot een essay van Virginia Woolf, ‘A Letter to a Young Poet’ (1932). Toegegeven, het stuk is bijna een eeuw geleden geschreven. En Anker is niet echt een jonge dichter meer, zoals hij dat zelf al benadrukt met de regels ‘[v]eertig werd ik om kwartier te maken/ boven een parkeergarage van Ymere’. Desondanks zijn de opmerkingen van Woolf behartigenswaardig, zowel voor de dichter als voor de aandachtige lezer. Woolf meent dat een dichter zich niet tot het ‘zelf’ hoeft te beperken, hij mag zich ook bezighouden met ‘auto’s en radio’s’. Je hoeft je alleen maar, zo zegt ze tegen haar jonge vriend, aan je eigen gevoel voor ritme over te geven, en dat ‘vrijelijk [te] wikkelen om mannen en vrouwen, om stadsbussen en musjes [...] totdat alles tot één harmonieus geheel is samengeknoopt’. De wijze raad van Virginia Woolf indachtig, stap ik over mijn aanvankelijke reserve heen en ga op zoek naar de individuele cadans van de poëzie van Jan-Willem Anker en het samengaan van het ‘zelf’ en de alledaagse dingen in Ware aard.

    Het is onvermijdelijk dat het hoofdstuk met de titel ‘Ware aard’ zich voordoet als het centrum van het werk, en niet alleen vanwege de gelijknamigheid met de gehele bundel. Eraan vooraf gaat ‘Ik ontplooi mezelf’, het deel over de wording van de dichter waarin het hier en nu zich reeds aankondigt. Dit eerste hoofdstuk preludeert ook op de andere delen, ‘Nieuw weer’ en ‘Boze zomers’, over het onheilspellend veranderende klimaat. Uiteindelijk tevergeefs probeert de lyrische ‘ik’ zich tegen het onbehagen te wapenen, zoals blijkt uit de volgende regels:

     

    Heel soms nog barst het pantser
    wanneer lijnvliegtuigen ’s ochtends
    laag overvliegen, de wind exoten
    langs mijn raam blaast, sneeuw eind
    april nog winter komt simuleren.

     

    De donkergrijze dreiging en het naïeve stadje komen knap samen in een ongrijpbaar deel; hier is oktober ‘zomerwarm’ en ondanks de geruststellende stem van de geliefde die aan de jongste zoon een verhaaltje voorleest voor het slapengaan, weet je: dit is de ‘vooraankondiging van een listig door de tijd/ verdunde catastrofe’. Er is maar één remedie mogelijk, de toevlucht nemen tot een zelfverkozen liefde-om-de-liefde, die zich beweegt tussen ‘gebruikte/ theezakjes op het aanrecht’ en zeepsop in de gootsteen. Helaas volgen er dan nog twee hoofdstukken waarin Anker vanuit Europa de wereld gaat verkennen. Ze komen niet verder dan een op ironische toon weergegeven mix van dagboekfragment en reisverslag, waarin de connectie met de overige delen zeer summier is aangegeven.

    In de tijd staat Weesp centraal, de dichter als de jonge vader, ‘racend op mijn vouwfiets van crèche/ naar treinstation of basisschool’, tussen een onstuimige aanloopperiode en een onhandelbare toekomst. Hier is de poëzie, ‘geheime/ macht die het journaal niet haalt,/ aan trends verzaakt’, een tijdloze adempauze; net als de aikido-training waar je eindeloos oefent hoe je de kracht van de ander ‘eerst opvangt, dan buigzaam afvoert’.

    Onder de oppervlakte van de ogenschijnlijke trivialiteit, tekent zich het ‘zelf’ van de dichter af. Juist in die delen over de intimiteit van het leven van alledag komen zijn bijzondere vocabulaire en de cadans van zijn lyriek het best tot hun recht. In een enkel gedicht uit het onstuitbare ritme van Ankers tekst zich in een op het oog willekeurige opsomming. Er is sprake van een soort va-et-vient-ritme tussen de wereld van Duplotorens en de beklemming van weerexcessen, tussen de Boeddhababy in de kinderwagen en het besef van de verwoestende consequenties van het antropoceen: ‘[o]ver alles ligt voortaan het watermerk van de mens’. Anker is, zoals hij het zelf zegt, ‘een wezen dat aan het cyclische is gehecht’; het is tegelijkertijd een concentrische beweging naar zijn schrijfkamer boven de garage, naar een kern die steeds compacter wordt:

     

    Ik ben veel van onvrijheid gaan houden,
    zoals de onvrijheid van mijn poëzie
    
die me onderwerpt aan mijn eigen regime,
    me dwingt geknecht te excelleren.

     

    ‘Station Weesp’, vertrekpunt van de bundel, geeft ook het aankomststation van de dichter aan, althans voorlopig. Weesp is nu eenmaal niet een plaats om definitief tot stilstand te komen. Ondanks de wat onevenwichtige opbouw, gaat het hier gelukkig om ‘een aankomst die zich openvouwt,/ het onbekende, in onvoltooide tijd’.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2019
    RecensentAnneMieke Vulkers
    Editie2019-2