Recensies

  • Fantoommerrie

    Marieke Lucas Rijneveld
    Fantoommerrie

    Ze kan ons zo weer laten gaan

    Een jager zit in een stoel, zijn jas ligt op de verwarming te drogen en hij leest de eerste dichtbundel van Marieke Lucas Rijneveld. Of nou ja, lezen? ‘hij zit wat lafjes door mijn eerste dichtbundel te bladeren/ alsof het plakjes vleeswaren zijn die hij op versheid test, citeert/ af en toe een zin die ik bij veel mensen vind passen maar niet// meer bij mezelf (...)’

    Dit staat in het tweede gedicht van haar nieuwe bundel Fantoommerrie. Ze zegt niet wélke zinnen ze intussen niet meer bij zichzelf vindt passen – natuurlijk niet, daar is geen beginnen aan. Maar het is wel duidelijk dat Rijneveld met een schone lei wil beginnen. Denk maar niet dat je haar al kent, als je haar eerste bundel en/of haar roman hebt gelezen.

    Die bundel won de Buddingh’-prijs en de roman werd ‘boek van de maand’ in De Wereld Draait Door. In dat televisieprogramma is ze ook ‘tafelmens’ geworden, waardoor ze nog meer bekendheid bij een groot publiek heeft verworven.

    Daar wil ze in deze bundel niets van weten. Ze is hier geen bekendheid, ze is een dichter die nog altijd overweldigd wordt door de vele indrukken en ideeën uit haar jeugd. En die jager, symbool voor het publiek en voor haar innerlijke criticus, moet niet denken dat hij van belang is. ‘als ik/ hem zat ben kan ik hem zo weer laten gaan, hem zeggen dat hij nog/ niet nodig is, niet nu, want ik ben het die hem heeft geschetst.’

    En wat doet ze dan met dat nieuwe begin? Ze lijkt zich opnieuw voor te stellen, alsof ze een nieuwe dichteres tevoorschijn wil laten komen. Zo wekt deze bundel – en dat is wonderlijk voor zo’n bekende dichter – de indruk van een debuut.

    En wel een heel goed debuut. Ze vertelt over haar jeugd, het leven op de boerderij, de ontluikende seksualiteit, de twijfel over sekse, de drang om te voelen dat ze bestaat en vanzelfsprekend vertelt ze ook over de mensen die haar niet snapten (zoals die jager, maar ook haar familie). De gedichten schuimen en zoeken de vrijheid van allerlei beelden en wendingen en gevoeligheden. Ze roepen de intimiteit op van een plotseling diepzinnig gesprek met een vreemde, waarin je samen op de tast verhalen deelt over hoe het allemaal zo gekomen is.

    En steeds in brede dichtregels, die de overvloedige rivier van woorden illustreren. In het titelgedicht van de bundel gaat dat zo:

     

    Bedplassen is hetzelfde als voor je beurt praten omdat er zoveel te
    vertellen valt. Vannacht was ze weer de fantoommerrie met een doffe
    vacht, niemand die de moeite had genomen haar zo te kleden dat ze beter
     
    overeenkwam. Er werd gefluisterd dat je nooit dichter bij iemand kon komen
    dan zo, en ze dacht aan de manen die ze waren vergeten op te plakken, ezeltje-
    prikje en geblinddoekt voor iedereen, ze was gewoon een houten bok zonder
    kop of staart.

     

    Hoe intiem de gedichten ook klinken, ze blijven ongrijpbaar. Het gaat even verderop in dit gedicht over een hand die haar lief was, die ‘haar benen uit/ elkaar schoof in de vorm van een gevarendriehoek waarvan de reflectors// het niet meer deden, uitroepteken.’ Uiteindelijk ontwaakt ze op haar buik op haar matras ‘als een kleed dat ooit een paard is geweest’.

    Beschrijft ze hier iets vreselijks of iets spannends? Ze mengt fantoompijn en nachtmerrie, beide fictief maar hevig, en wat zijn dan de angst en de pijn die er niet hoeven te zijn maar toch in alle hevigheid woeden?

    Kraakheldere antwoorden geeft ze niet. Vaak opent ze deuren naar allerlei mogelijke ideeën en herinneringen, om dan snel een andere kant op te gaan en nog meer deuren te openen.

    ‘En de juffen die eeuwig als puntenslijpsel in het molentje van zijn hoofd/ zitten, wat hij geleerd heeft blijft als een afgebroken punt in hem steken’, staat ergens, en daar laat ze dat beeld verder rustig liggen. Andere beelden genoeg. Het gaat daarna over een Game Boy, wereldproblematiek, een slapende vulkaan, garnalen die van geslacht veranderen, een surfplank, sneeuw en ijs, een zwarte clownshoed en de waan van onsterfelijkheid.

    Daardoor missen de gedichten wel het kanonschot van de grootse gedachte en lijken ze de diepzinnigheid vaker te schampen dan te raken. ‘Een vader betrappen op schaamte is een regenmeter vullen met kraanwater’, schrijft ze bijvoorbeeld. En dat roept weliswaar allerlei schimmen van ideeën op (over schamen en betrappen en vaders), maar niet per se nieuwe inzichten die je nooit meer zult vergeten. Maar daar staan het woelen en de grote vrijheidsdrang tegenover, die ervoor zorgen dat je toch de hele tijd benieuwd blijft naar de volgende regel en het volgende gedicht. En zoals dat hoort bij een debuut: het zorgt dat je benieuwd blijft naar de vólgende bundel.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2019
    RecensentBas Belleman
    Editie2019-2