Recensies

  • Winterlaken

    Mischa Andriessen
    Winterlaken

    Baken

    Er is iets vreselijks gebeurd, iets onherstelbaars, zoveel is al vrij snel duidelijk in Winterlaken van Mischa Andriessen. De bundel opent met het op het oog nog onschuldige ‘Weerhuis’ waarin het enjambement het perspectief laat kantelen als de figuurtjes in een weerhuisje: ‘Zij denkt niemand komt binnen/ Door een deur die op slot zit/ Kan niemand eruit denkt hij’. Het is een aardig gedicht, maar het krijgt pas na lezing van de rest van de bundel zijn diepere betekenis.

    Daarna lezen we: ‘Daar was een kind, een halve minuut hooguit, aan de aandacht van zijn soe-/ zende ouders ontsnapt, had in die nog geen dertig tellen een afstand afge-/ legd die voor die kromme, mollige beentjes ondenkbaar was [...] maar regelrecht naar het water, waar het net/ nog werd gezien op het ogenblik dat het kopje-onder ging [...]’. Een gruwelijk beeld. Bijna terloops, maar nauwkeurig verteld. Dit gedicht, en dat geldt voor de hele bundel, gaat over twee mensen, ouders, die alleen nog bezig zijn met het zoeken naar hun verloren kind. Dan krijgt het weerhuisje ineens hele andere betekenis. Het doet denken aan de roman The Child in time van Ian Mc Ewan, waarin een huwelijk ontwricht raakt door een verdwenen kind.

    Andriessen haalde volgens het nawoord inspiratie uit de Metamorfosen van Ovidius. Een groot aantal gedichten wordt voorafgegaan door een passage uit een mythe. Sommige gedichten hebben zelf een mythisch karakter. Zo valt een kind dat er niet meer is uit het nest, krijgen de ouders veren, vleugels. Ze stijgen op en krijsen: ‘Uit haar verweerde handen en armen groeiden vleugels. Haar benen werden rood en mager, haar voeten veranderden in scherpe klauwen. [...] haar stem gaat over in schor gekrijs’.

    Herinneringen aan het hartstochtelijke begin van de relatie van de ouders zijn vervlochten met hun traumatische verlies. Een man en vrouw verdwalen in hun onophoudelijke zoeken naar degene die hen ontglipt is en de toekomst die daarmee verloren ging. Er blijft hoop op het terugvinden, maar ‘zag ontzet dat het niets dan wrakhout was, een losgeraakt baken’ Een prachtig, wanhopig beeld, net zoals ‘het spoelhout dat je bakerde’. Maar er is ook het schuldgevoel over een fataal moment: ‘Die ene keer heb ik weggekeken heel kort maar’. Steeds keert hij terug naar dat keerpunt. Hij ziet herhaaldelijk hoe zij zichzelf verliest (‘zonder te kijken oversteekt en redeloos afslaat’) en naar het water terug moet: ‘het weten dat de kilte in haar getrokken is’.

    Een enkele keer vliegt hij uit de bocht en wordt er te omslachtig beweerd: ‘Zich dan weer terugdenkt in het donker/ Van hun dalen waardoor hij lijdzaam alles vergeet/ Behalve dat wat duurt en eindigt ooit begonnen is.’ Vlaamse termen of uitdrukkingen geven een schok van vervreemding en lijken geen ander doel te dienen dan het autobiografische te onderstrepen. Maar Winterlaken is een doorwrochte bundel, rijk aan verwijzingen. Het hartverscheurende titelgedicht refereert bijvoorbeeld aan het begin van ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’ van T.S. Eliot:

     

    ‘Zullen we dan maar gaan jij of ik
    Bezwaard de diepte in

    Onder water wonen als waarschuwing
    Voor wie nadert nadert
    Zal ik het inzwart wezen zijn’

     

    Winterlakenis knap gecomponeerd en blinkt uit in prachtig verwoorde wanhoop. Door de hele bundel komen we dezelfde elementen in steeds een andere samenhang tegen: het kille water, de oever, een dakgoot, een tochtige woonkamer, gordijnen, maar vooral een losgeslagen baken. Het zijn gedichten die niet naar een conclusie werken of hun betekenis ontlenen aan een enkel beeld. De herhaling bezweert.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2019
    RecensentRieuwert Krol
    Editie2019-2