Recensies

  • Neem dit lichaam

    Fatena Al-Ghorra
    Neem dit lichaam

    Lichaam en geest

    Een ‘tuimelvertelling’. Zo typeerde Maartje Wortel haar roman Dennie is een starlaatst, toen ze bij Jeroen van Kan te gast was in VPRO Boeken. Een mooie term, die direct het gestuntel verklaarde van de auteur in het gesprek dat eraan vooraf ging en dat ik zo goed herken. Het is het gestuntel van iemand die de wetmatigheden van het literaire werk, die zich per definitie volgens een volkomen eigen logica voltrekken, probeert uit te leggen aan de hand van een rationeel betoog. Een onderneming die alleen maar kan mislukken: de verbanden en gedachtesprongen die in het werk zelf onontkoombaar zijn, noodzakelijk, komen daarbuiten vreemd voor. Pompeus. Moeilijk.

    Het woord is ook van toepassing op Neem dit lichaam van Fatena Al-Ghorra, die begin dit jaar verscheen als gevolg van een samenwerking tussen Uitgeverij Jurgen Maas en Uitgeverij P. Alleen noemen zij het op de achterflap van de bundel geen ‘tuimelbundel’ of zoiets, maar een ‘innerlijke wervelwind’. Fatena Al-Ghorra is in 1974 geboren in bezet Palestijns gebied. Ze vluchtte in 2009 voor Hamas en woont sindsdien in Antwerpen. Haar werk is in verschillende talen gepubliceerd. Afgaande op het nawoord van vertaler Nisrine Mbarki, achterin de bundel, is Neem dit lichaam niet zozeer de vertaling van een bestaande bundel. De Arabische bundel die vorig jaar verscheen was wel de basis, maar is zodanig aangepast en aangevuld dat er echt sprake is van een andere, zelfstandige bundel.

    Dat van die wervelwind en dat tuimelen, dat klopt wel, al zou je het op het eerste gezicht niet zeggen. De bundel is heel klassiek opgedeeld in twee, in Romeinse cijfers genummerde delen, van ieder tien gedichten. Het openingsgedicht, ‘Mistig’, zet in met een, eveneens, klassiek aandoende vergelijking: ‘Een cel van verroest ijzer is mijn hart’. De rest van het gedicht is een uitwerking en uitleg van dat beeld:

     

    Mijn hart is een slaaf

    zijn aderen worden niet geraakt door scherpe woorden
    noch door wegen bedekt met rozen

    hij staat

    overtuigd

    vergevend

     

    Dat ‘vergevend’ is verrassend, omdat het gedicht helemaal niet over vergeving lijkt te gaan (het lijkt integendeel eerder een beschuldiging). In de daarop volgende gedichten zwelt de spanning, die in dit openingsgedicht voelbaar is, aan tot iets dat je met enig poëtisch gevoel een ‘storm’, een wervelwind zou kunnen noemen.

    Een storm die, zoals de opdracht aan ‘mijn lichaam en geest/ die mij over hun geheimen leerden’, al aangeeft, voornamelijk plaatsvindt in het lichaam van de dichter zelf. Veel gedichten gaan uit van (een deel van) het lichaam, wat een nogal claustrofobisch effect heeft: ‘Ruis van wezens in mijn hoofd’, ‘Blaadjes groeien uit mijn dode hand’, ‘Mijn oor suist van ijle stemmen’... Nadrukkelijk wordt het lichaam, en hetgeen zich in dit lichaam afspeelt (de geest), verbonden met de omgeving: de tastbare, dagelijkse spullen (een hengel, schoenen, een boek) en het niet tastbare (‘een kleine god voor wie het universum te krap wordt’).

    In het uit meerdere korte gedichten opgebouwde ‘Vader’ schakelt Al-Ghorra voortdurend tussen parlando en gezang en tussen tegenstrijdige gevoelens als verwijt, liefde, schuldgevoel:

     

    Vader

    die aan de rand van mijn hart zit

    al je raad heb ik opgevolgd
    
je lessen heb ik uitgevoerd

    nooit was ik je ongehoorzaam

    waarom is je gezicht nu een wolk
    
is je stem die als een vleugel neerstreek

    en mij beschermde tegen de kou en jouw vuur
    stil geworden.

     

    Het tweede deel van de bundel is muzikaler en mede daardoor minder beklemmend. De thematiek rond het lichaam spitst zich toe op de grote thema’s: de liefde en de dood. En hier komt de bundel tot volle bloei, met het prachtige ‘Meisjes breng mij mijn lief terug’ (‘Zijn lippen druipen honing die zijn tong met de smaak van citroengeraniums kneedt/ en in mijn mond giet’) en het bijzondere slotgedicht ‘Welkom’, waar de (lichamelijke) liefde samenvalt met de dood (‘Ik zal de dood verwelkomen als een echtgenote’). De titel van de bundel is in dit licht bezien dus precies zo dubbelzinnig als hij lijkt.

    Eigenlijk is poëzie onvertaalbaar. De vertaler zit immers altijd met het onoplosbare probleem dat niet alleen de woorden vertaald moeten worden, maar ook de beelden, de geuren, de klanken, kortom: de wereld waar die woorden naar verwijzen – en dat is per definitie cultuurgebonden. Ook bij het lezen van Neem dit lichaam betrapte ik me voortdurend op de gedachte dat de bundel eigenlijk tweetalig uitgegeven had moeten worden, of tenminste met een dvd met voordrachten. Gewoon, omdat ik wil weten hoe het originele gedicht eruitziet of klinkt. Er staan regels in die een Nederlandstalige dichter nooit zo zou durven schrijven. Alleen al daarom is deze bundel een verfrissing.

    UitgeverJurgen Maas
    Jaartal2019
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2019-2